Het gezonde volksgevoel is huiveringwekkend

De ‘bekentenis’ van Joran van der Sloot zegt op zich weinig. Dus: voorzichtig met conclusies. De rol van Peter R. de Vries betekent niet dat de politie te weinig kwaliteit heeft – maar een paar zaken kunnen beter.

J.A.Blaauw

Oud-hoofdcommissaris. Zijn laatste boek is ‘Dossier Blaauw: memoires van een oud-hoofdcommissaris van politie’.

In de publiciteitsgolf rond de zaak-Holloway zijn mij vooral twee dingen opgevangen: de enorme kijkdichtheid tijdens de vertoning van de tv-film daarover van misdaadverslaggever Peter R. de Vries en vervolgens de overstelpende, soms bizarre, publieke reacties daarop van, kortweg gezegd, Jan en Alleman.

Het eerste laat zich naar mijn mening vrij gemakkelijk verklaren. Alleen al de gedoseerde aankondiging van een ‘bloedstollende’ reportage over een undercoveroperatie die vijf maanden heeft geduurd plus de verzekering dat het mysterie eindelijk is ‘opgelost’, zoog zondag zo’n zeven miljoen uiterst nieuwsgierige en gespannen kijkers naar de buis.

Met een verklaring voor die talrijke, uitzonderlijke reacties daarna heb ik meer moeite. Ik doel daarbij primair op die categorie opinies waarbinnen kennelijk niet in het minst wordt betwijfeld dat de documentaire voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het mysterie Natalee inderdaad dankzij een infiltrant is ontrafeld. Hetzelfde geldt voor de vraag wie voor het drama verantwoordelijk waren: Joran van der Sloot, geholpen door een zekere ‘Daury’. Bij deze pertinente publieke ‘schuldig’verklaring hoort uiteraard ook een gepast vonnis. Welnu, dat varieert, kort weergegeven, van ‘levenslang’ tot ‘doodstraf’’. Een aantal varianten op deze ‘vonnissen’ laat ik hier maar buiten beschouwing. Evenzeer die van een aantal deskundigen, die onomwonden en met grote stelligheid hun mening verkondigen omtrent de geestesgesteldheid van genoemde Joran, dan wel hoe Natalee aan haar einde zou zijn gekomen.

Wanneer ik de tv-beelden van de gesprekken tussen Joran en de infiltrant de revue laat passeren, dan kan ik zakelijk niet anders vaststellen dan dat diezelfde Joran in (walgelijke) horten en stoten een verklaring heeft afgelegd waarin hij zegt in Natalees gezelschap te zijn geweest, toen zij op het strand plotseling onwel werd. Vervolgens zegt hij via een publieke telefooncel zijn vriend ‘Daury’ te hebben opgebeld, met het verzoek hem te komen helpen bij het in de oceaan dumpen van het lichaam van Natalee. Daar komt zijn verhaal op neer. Deze bekentenis van Joran zou vanzelfsprekend op de eerste plaats keihard onderbouwd moeten kunnen worden door een verklaring van die door hem te hulp geroepen ‘bootman’ ‘Daury’. Daar is echter, naar ik heb begrepen, geen sprake van. Integendeel, er wordt blijkbaar niet eens meer getwist over het gegeven dat diezelfde ‘Daury’ inmiddels publiekelijk heeft verklaard over een spijkerhard alibi te beschikken.

Los daarvan liggen er voor de verdere onderbouwing van de bekentenis blijkbaar nog een aantal andere, even cruciale als onbeantwoorde vragen. Niet in de laatste plaats hoe de gang van zaken precies is geweest rond de vijf maanden durende undercoveroperatie die uiteindelijk heeft geleid tot de bekentenis van Joran.

Inmiddels heeft deze knaap de buitenwereld laten weten dat zijn tegenover de infiltrant gedane bekentenis geheel door hem is verzonnen. Om dit punt af te ronden: naar mijn opvatting is er op dit moment nog geen sprake van een oplossing van de verdwijning van Natalee Holloway. Anders geformuleerd: bij hetgeen Joran op de verborgen camera heeft verklaard, staat hij moederziel alleen. Zijn bekentenis is bij mijn weten nog door geen enkel geheid ondersteunend bewijs waargemaakt. Voor alle duidelijkheid, van een bekentenis op zich raak ik reeds lang niet meer onder de indruk. In de loop van de jaren ben ik er daarvan te veel tegengekomen, die achteraf vals bleken te zijn. Wat heeft de massa intussen bewogen toch maar vast een oordeel plus vonnis te vellen? Het ‘gezonde volksgevoel’? Huiveringwekkend!

Een zeker deel van de publieke opinie rond de verdwijning van Natalee klinkt mij als een soort verwijt richting politie in de oren. De politie is immers niet in staat gebleken het mysterie Natalee op te lossen, een misdaadverslaggever daarentegen wel. Waar het in een deel van de publieke opinie kort samengevat bij de politie aan heeft ontbroken zijn onder meer voldoende professionaliteit, technische opsporingsmogelijkheden en de nodige vrijheid om met een (criminele) infiltrant/informant in zee te gaan.

Dat zijn geen nieuwe geluiden. Ze zijn steevast te horen wanneer de recherche bij de aanpak van een of andere grote zaak blijkt te hebben gefaald. Zonder specifiek op al deze publieke opinies in te gaan wil ik vanaf de zijlijn stellen dat ik ervan overtuigd ben dat de Nederlandse politie kwalitatief heel goed in staat is ook de (grotere) zaken aan te pakken. Binnen de bestaande juridische regelgeving kan zij daarbij evenzeer gebruikmaken van zowel de huidige technische hulpmiddelen als van informanten/infiltranten; criminele infiltranten horen wat mij betreft niet in dat rijtje thuis. Dat dit niet altijd leidt tot de zo zeer door iedereen verlangde oplossingen, is nu eenmaal inherent aan het recherchevak. Voor de buitenstaander is echter niets eenvoudiger dan een opgeloste zaak.

Mijn stelling betekent intussen bepaald niet dat er met de politieorganisatie verder niets aan de hand zou zijn en dat we dus gerust kunnen gaan slapen.

Ter verduidelijking. Vanuit de destijds binnen de Nederlandse politie opgeworpen leer van het ‘eenheidsvakmanschap’- iedereen moet alles kunnen – heeft dat vanaf eind jaren tachtig van de vorige eeuw geleid tot uitholling van de recherche. De keiharde praktijk heeft echter in latere jaren een aantal dingen aan het licht gebracht.

Op de eerste plaats dat misdaadbestrijding in termen van menskracht niet alleen een kwestie is van kwantiteit, maar veeleer van gedegen recherchekwaliteit.

Op de tweede plaats dat die recherchekwaliteit ten nauwste samenhangt met de individuele loopbaanmogelijkheden binnen de politieorganisatie.

Binnen de politie is recherche een vak apart. Op dat punt wordt intussen al jarenlang aan kapitaalvernietiging gedaan: na verloop van een aantal leerzame, tevens kostbare recherchejaren terug naar het uniform. Naar mijn mening zou de politieman of vrouw die een voorkeur heeft voor de recherche, daarbinnen ook de nodige carrièremogelijkheden moeten krijgen. Dat geldt ook voor rechercheleiders. Kwaliteitsverbetering van het recherchevak hoort binnen de politieorganisatie een aanhoudende zorg te zijn.