‘Het gaat niet om bijval, maar om mysterie’

‘Een beetje ijdel ben ik wel, natuurlijk, anders zaten we hier niet’, Haarlem, 5 februari 2008 Foto Vincent Mentzel Elisabeth ANDERSEN (1920) Nederlands actrice.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Haarlem, 5 februari 2008 Mentzel, Vincent

‘Als ik hier door de buurt loop met mijn boodschapjes, in mijn eentje, dan denk ik weleens: God, wat gek eigenlijk dat ik ooit voor zalen met juichende mensen heb gestaan. Het idee dat de mensen bloemen op het toneel gooiden, en dat je stond te buigen en dat zo’n zaal maar door klapte. Nou ja, het is voorbij. Alleen een paar stokoude mensen kennen me nog. In Zweden hebben al die oude actrices hun eigen vaste plaats in de schouwburg, dit soort egards bestaat in Nederland niet. De laatste die dat nog wist af te dwingen was Fie Carelsen, in Den Haag. Zij had haar eigen stoel op de eerste rij. Ze is al meer dan dertig jaar dood.

Mijn vader was een heel goed schaker. Er kwamen bij ons internationaal bekende schaakmeesters over de vloer. Een diner met alle grote kampioenen, Aljechin, Maróczy, Bogoljoebov, ik herinner het me nog, al die mensen zaten bij ons aan tafel. Max Euwe was een soort oom van ons. Ik zat altijd maar met beroemde mensen om me heen en vond dat mooi. Zelf droomde ik ervan om Julia te spelen in Romeo en Julia. Toen ik was gezakt voor de toneelschool, bleef ik spelen, gewoon als amateur, bij de Arbeiders Jeugd Centrale en later bij de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale. In de winter van ’40- ’41 deden we de Storm van Shakespeare, ik was Ariel, de luchtgeest. De dichter Nijhoff kwam kijken, omdat het de allereerste opvoering van zijn vertaling was. Hij kwam naar me toe, Nijhoff, stel je voor, ik was een snotneus van twintig, en hij zei: “Juffrouw, u moet naar het toneel.” Dat vind ik nog altijd een enorme eer. Nog altijd. Hij schreef een brief voor me aan de directeur van de toneelschool en ik werd alsnog aangenomen.

Die opleiding heb ik nooit af kunnen maken, vlak voor het eindexamen ben ik helaas van school gegaan. Aan het begin van de oorlog had ik Werner ontmoet, een joodse man uit Duitsland. Hij werkte op het Koloniaal Instituut, wat nu het Tropenmuseum is. Hij was mijn grote liefde. Voorjaar ‘43 werd het opeens nijpend, want zoals dat ging in die tijd: heel lang kon je overdag nog over straat met je gele ster, maar op een keer hoorde je: de Gestapo is aan de deur geweest. En dan kon je niet meer terug naar huis. Diezelfde dag nog heb ik de benedenverdieping gehuurd van het huis waar ik met mijn moeder woonde, die stond toevallig leeg, en daar ben ik met Werner ingetrokken. Hij kon de deur niet uit, dus ik kon niet riskeren om naar Duitsland te worden gestuurd voor de Arbeitseinsatz. Met een contract bij een toneelgezelschap zou ik veilig zijn. Bij het Gemeentelijk Theaterbedrijf wilden ze me wel hebben. Mijn eerste rol was Regina in Spoken van Henrik Ibsen.

Alles gaat voorbij, ook de liefde. Werner is nu 95, en woont in Amerika. Vlak na de oorlog is hij daarheen gegaan, ik zou hem achterna reizen, maar dat is er nooit van gekomen. Jaren en jaren is hij mijn grote liefde gebleven, tot de betovering op een keer toch was verbroken. Nu is hij gewoon een oude vriend.

Ik heb bijna zestig jaar op het toneel gestaan. En we hebben veel gelachen, hoor. De humor aan het toneel, da’s heerlijk. Maar het was hard werken, in mijn tijd bij de Haagse Comedie speelde ik minstens vijf avonden per week en soms wel in vijf verschillende stukken per seizoen. Ik heb een eigen televisieprogramma gehad, acht zaterdagavonden, op prime time, in de winter van ’61-‘62. Het heette Ontmoetingen met Elisabeth Andersen. Niemand weet het meer. De televisie heeft het niet meer, de banden zijn weg. Laatst kreeg ik van het toneelmuseum zomaar tien exemplaren van mijn biografie toegestuurd. Ze zijn aan het opruimen, ze verkopen het niet meer. Het geeft niet. Het hoort bij het vak. Er zijn belangrijker dingen dan toneel. Mijn laatste rol speelde ik op mijn tachtigste, in ‘Van oude mensen en de dingen die voorbijgaan’.

Een beetje ijdel ben ik wel, natuurlijk, anders zaten we hier niet. Maar ik heb het applaus altijd gerelativeerd. Het publiek dat je bewondert, de kranten die lovend over je schrijven, de prijzen. Ik heb drie keer een Theo d’Or gekregen, de belangrijkste jaarlijkse toneelprijs. De eerste keer was ik trots, toen gold de prijs nog voor je prestaties van een heel seizoen. Later kreeg je de prijs voor een bepaalde rol. Mijn tweede Theo d’Or was voor Tchin Tchin van François Billetdoux. Dat vond ik ónzin. Maar het was wel een kraker, en weet je waarom? Ik begon als lady en ik eindigde als dronken lellebel. Dronken, dat vindt het publiek prachtig. Maar het is veel moeilijker om Antigone te spelen. En Beckett. Ik heb in de allereerste Nederlandse musical gestaan. Uitverkocht, iedere avond. Dan liep ik op straat en hoorde ik opeens iemand over mijn schouder zachtjes zingen: Waarom jok je, chérie? Dan werd ik zo kwaad. Dat verdomde blijspel, dacht ik. Naar Shakespeare komen ze niet kijken.

Bij Zuidelijk Toneel Globe speelde ik Suus, weet je nog? In 1980. Het was maar één scène, een monoloog. Met een Peels accent moest ik die vrouw spelen, een boerenvrouw, gedesillusioneerd en aan de drank. Ik zat op een pleepot, zo, met mijn hoofd naar beneden. Een gebreide directoire om mijn enkels. Er was één moment dat ik even opkeek, en dan kon je een speld horen vallen. Dat was geweldig. Want toneelspelen is ook macht, hè. Een pauze maken, en de zaal stil houden. Net zo lang wachten tot je denkt: geen fractie van een seconde langer, en dan de tekst. Enfin, wij speelden dat stuk in een theatertje in Scheveningen. Voor aanvang zag ik twee chique dames binnenkomen. Ik wist meteen: die vergissen zich. Naderhand kreeg ik een briefje van ze: ‘Mevrouw, hoe hebt u ons dit aan kunnen doen? U, de koningin van het Haagse toneel, op een wc-pot.’ Ik heb ze teruggeschreven dat het belangrijker is om een mens te spelen dan een koningin.

…‘en dat ik luisteren moet, opdat ik spele... En zo mij bijval dezer velen ten deel komt, waai uw schemer tussen mij en hen, dat ik in uw geheim onvindbaar ben en peinzend weggedoken.’ Dat schrijft Adriaan Roland Holst, in zijn Gebed van de harpspeler. Het gaat niet om de bijval, het gaat om het geheim. Om het mysterie. Ben je verrijkt als je de schouwburg uitkomt? Begrijp je weer wat meer van de schoonheid van de wereld? En van de ellende? Al eerder waren mij de ogen geopend. Ik was twee jaar weggeweest uit Den Haag. In die tijd hadden de mensen aan de kassa van de schouwburg steeds gevraagd: wanneer komt onze Elisabeth terug? Ik kwam terug, met Huis Clos van Sartre. De zaal was half leeg. Want het was Toneelgroep Centrum, en daar kwam het Haagse publiek niet voor. Later, toen ik in Arnhem, Rotterdam en Eindhoven werkte, vroegen mensen: ‘Speelt u eigenlijk nog?’ Als je niet in Den Haag of Amsterdam stond, was je meteen vergeten door het grote publiek. Dan leer je ontzettend relativeren wat het is om zogenaamd beroemd te zijn. Roem is niks. Niks! Een zeepbel. Het duurt even, en het is leuk, maar het is zo voorbij.

Het belangrijkste heb ik altijd mijn kinderen gevonden, en mijn privéleven. Godzijdank heb ik dit, dacht ik, als ik thuiskwam. Ik waste mijn gezicht voor ik mijn slapende kinderen een kusje gaf. Ik mocht niet naar toneel stinken. Het leven is toch veel belangrijker dan toneel? Maar dat toneel wás er altijd wel, en ik deed mijn best. Van elke rol wilde ik het beste maken. Ik vond het leuk, want ik was er goed in, en ik moest er mijn brood mee verdienen. Maar liever was ik bij mijn kinderen gebleven, in plaats van ze achter te laten bij de huishoudster. Toen ik voor de tweede keer trouwde, was ik zo blij dat ik eindelijk naar huis kon. Maar het huwelijk liep mis, anders was ik nooit meer teruggegaan naar het toneel.

Toen ik met pensioen ging, drieëntwintig jaar geleden, had ik eindelijk tijd om te lezen, om naar concerten te gaan, om meer voor mijn kinderen te kunnen betekenen. Ik las altijd graag Russische gedichten, Achmatova, Pasternak. Ik las ze in het Frans, Duits en Engels en in al die talen waren het verschillende gedichten, dus ik wilde nou weleens weten wat er in het Russisch stond. Ik had een oud keukentafeltje van zolder gehaald en daar zat ik uren te leren en te studeren naast de bandrecorder. Een heerlijke tijd was dat, wanneer je zo’n taal langzaam meester wordt.

Als ik overlijdensadvertenties lees, zijn er negen van de tien jonger dan ik. Dat is absurd, want ik voel dat helemaal niet. Ik ben in mijn manier van doen niet oud, in mijn gevoelswereld niet. Maar ik bén wel oud. Over een jaar kan ik weg zijn, dat realiseer ik me dagelijks. Alles gaat voorbij. Dat is een beetje treurig ja, maar ook heel verhelderend. Een vorm van volwassen worden. Van begrijpen.”

Brigit Kooijman