Een Rotterdamse jeugddroom

Aanmonsteren op een zeilend zeeschip en wakker worden als scheepsarts. Voor de auteur komt een jongensdroom uit. In een korte serie beschrijft hij zijn ervaringen als parttime zeeman.

Naar zee! Naar zee! Een Rotterdamse jongensdroom. Stoer. Maar met een bril op, ben je dat niet. Stoer. En kapiteins dragen geen bril. Of in ieder geval, toen niet. Vorige eeuw heb ik het over. Begin jaren zestig.

Nu moesten die kapiteins in die tijd nog wel iets met een sextant kunnen. Naar de horizon kijken. Een hoek kunnen aflezen. In de verte turen naar een boei met een lichtje. Moest zonder correctie kunnen, volgens de Inspectie van het Scheepvaartwezen.

Is uw bril dan nog nooit overboord gevallen?

Dus marconist worden of niet naar zee.

En matrozen dragen al helemaal nooit brillen.

Dus luchtmatroos geworden.

Aan de Parkkade liggen altijd mooie schepen. Straathonden zijn het. Roestig. Gebruikt. Soms een beetje erg. Sleepboten, omhangen met autobanden. Coasters. Uit allerlei landen. Denen, Noren, Engelsen. Maar ook uit Panama. Panama? Volgens de achterkant dan. New Jersey. Kanaaleilanden. Aan de voorsteven vaak verschillende namen over elkaar heen. Zeelieden in blauwe ketelpakken, matrozen met wollen mutsen. Met sigaret lusteloos hangend over de reling. Een verfkrabber in de hand. Bikken. Roest lijkt wel een ziekte. Overal vlekjes, soort van eczeem. Maar niet echt goed reagerend op zeewater. Gaat een patrijspoort open. Kok gooit een partijtje afgedankte aardappelen overboord. Heleboel krijsende meeuwen ineens overal. Authentieke zeegeluiden. Daar aan de Parkkade. Net de Maastunnel onderdoor.

Die fietstunnel met roltrappen. En ik. Met een bril op mijn neus. En eigenlijk ook niet stoer. Kijkend naar dat vanzelfsprekende. Dat onopgesmukte. Dat noodzakelijke. Kalmerend en opwindend tegelijk.

Er leek ook iets van op mij af te stralen. En daarom kwam ik er graag. Op dagen dat ik vrij van school was. „Waar ga je zo vroeg naar toe?” vraagt moeder. Naar de boten kijken bij de tunnel. Kijken hoe ze komen aanvaren op de rivier. Van zee. Onder een waterig zonnetje. Langzaam dichterbij komen. En ik maar hopen dat ze bij mij gaan aanleggen.

De georganiseerde chaos die dan op gang komt. Vrachtwagens op de kade. Leveranciers van alles en nog wat. Scheepsvictualiën. Wablief? Ja, de stores zijn aangekomen. Steenkolen Engels. Scheepsagenten. Scheepsreparatie bedrijfjes. Waterboten. Vuilcontainers die worden klaargezet. De politieboot die een kijkje komt nemen. Matrozen op het voordek. Met een keesje klaar in de hand. Zakjes zand, waaraan dunne werplijnen, vliegen door de lucht over me heen.

Het magische moment wanneer het schip zich weer verenigt met de kade en zijn autonomie verliest. Roeiers die intussen uit hun auto’s zijn gestapt, vangen de lijnen handig op en leggen moeiteloos het schip vast met vuistdikke trossen.

Veel woorden worden er niet gesproken. En al helemaal niet door mij.

Alleen maar kijken, denken, dromen. Als vanzelfsprekend aannemend dat ik toch nooit een van hen zou kunnen worden. Ook zonder bril.

Een Rotterdamse luchtmatroos.

Toch zijn dromen soms gekke dingen.

Want niet alleen bijna een halve eeuw geduurd. Ook nog eens wakker geworden als scheepsarts. Op het zeilende zeeschip De Eendracht. Met thuishaven Rotterdam. Dat op donderdag 29 november 2007 vertrok vanaf de Wilhelminakade in Rotterdam.

De kade, die recht tegenover de Parkkade ligt, waar ik mijn jeugd verdroomde.

Het zeegat uit. En niet zo’n klein beetje ook.

Door een, wat snel zal blijken, nogal tochtig Kanaal en over een winterse woeste Atlantische Oceaan naar Portugal. Lissabon.

Stad van de dichter Fernando Pessoa. Schrijver van de Ode Marítima. Een gedicht, dat geboren is aan de oevers van de Taag. Over het eeuwige aankomen en vertrekken van schepen.

Het zal bepaald een stormachtige tocht blijken te worden. Waarvan ik u op de hoogte zal houden.

Ik groet u allen. Met bril.