De waanzin van vroeg kiezen

Marlies Hagers

foto leo van velzen Leiden, 07-02-08. Michiel Westenberg , wetenschapper. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Veel ouders ervaren de puberteit bij hun kinderen als een kink in de kabel: op hun twaalfde leken het al zulke verstandige en sociale wezens en moet je ze nou eens zien. Dat hangt lui en chagrijnig voor de tv, zegt geen stom woord meer en denkt alleen nog aan zichzelf. Ontwikkelingspsycholoog Michiel Westenberg, hoogleraar in Leiden, ziet het anders. Er is geen sprake van een terugval, zegt hij. Zijn onderzoekwijst juist uit dat de groei in alle opzichten – lichamelijk, cognitief en psychosociaal – gestaag doorgaat. Maar van een zestienjarige verlangen dat hij al een studiekeuze kan maken, is waanzin. Gisteren hield Westenberg de dies-oratie, vanwege de 433ste verjaardag van de Leidse universiteit.

Zien we problemen bij pubers die er niet zijn?

Michiel Westenberg: “De puberteit, dat is de lichamelijke ontwikkeling, brengt het bekende lastige gedrag met zich mee. Maar het is wel groei. Ook de ontwikkeling van het denk- en leervermogen gaat gewoon door en het sociale inzicht groeit. Ik denk dat ouders vaak zo bezig zijn met waar ze moeite mee hebben, dat ze al die groei niet zien. We zijn ook niet meer het middelpunt in hun leven. Maar ik zeg altijd: stel je voor dat je vijftienjarige zoon nog steeds alles wat hem bezighoudt aan je vertelt, daar moet je toch niet aan denken!”

U onderscheidt nadrukkelijk drie lijnen van ontwikkeling.

“Ja, en gek genoeg gaan die drie niet gelijk op. Je ziet een jongen van 1 meter 80 en denkt ‘die moet toch beter weten’. Niet dus. Onderzoek naar de hersenontwikkeling, en dat is nog erg nieuw, laat zien dat de puberteit veel eerder voltooid is dan de cognitieve en psychosociale ontwikkeling. Bij de laatste zien we de curve zelfs pas afvlakken rond het 24ste jaar. Bovendien zijn er grote onderlinge verschillen tussen kinderen. Een vroege puberteit kan samengaan met een late psychosociale ontwikkeling. Of andersom. Ga er maar aan staan in een klas met dertig leerlingen.”

U onderzoekt vooral de psychosociale ontwikkeling. Wat heeft u ontdekt?

“Dat die in vier fasen verloopt. Ik zie het als schuivende panelen. Bij elke stap komt een nieuw thema naar voren. De adolescent leert eerst voor zichzelf op te komen. Een egocentrische periode. Daarna gaat hij op zoek naar gelijkgestemden. Het overal met elkaar over eens zijn en samen dingen doen wordt een doel op zich. De derde fase is weer een naar binnen gerichte periode, bedoeld om de eigen persoonlijkheid te onderzoeken. Het oog van de buitenwereld wordt minder bepalend en hij wordt toleranter en flexibeler. Pas in de vierde fase ontstaat een gevoel van verantwoordelijkheid voor het eigen doen en laten.”

Kan het onderwijs iets met uw bevindingen?

“We hebben onderzocht of we met behulp van kennis van de verschillende fasen het gedrag van scholieren beter kunnen plaatsen. Zo weten we nu dat het overtreden van regels het meest voorkomt in de eerste, zelfbeschermende fase. Gronings onderzoek heeft laten zien dat de interesse in literatuur pas tot bloei komt in de derde, zelfbewuste fase, als je over jezelf kunt nadenken en je in anderen kunt inleven. En in ons spreekbeurtlab zagen we de hypothese bevestigd dat leerlingen in de tweede stap van hun ontwikkeling een grote angst voor spreekbeurten ontwikkelen.”

Moet je tieners dan maar geen spreekbeurten laten houden?

“Juist wel. Maar je moet het goed begeleiden. Ze moeten leren hoe je moet staan, hoe je je stem gebruikt, ervaren hoe de klas hen ziet. Laten gebeuren dat ze het afraffelen, maakt de angst groter. En dat gaat nooit meer echt over.”

En de studiekeuze komt dus te vroeg?

“Pas in de derde fase, tussen 18 en 22 jaar, denken jongeren echt na over zichzelf en gaan ze hun eigen mogelijkheden verkennen. Het is dan nog ontzettend moeilijk om een studie te kiezen. Met ook nog eens de dwingelandij van studietempo maken, zet je hen enorm voor het blok. Mijn oplossing zou zijn om het minorsysteem – de mogelijkheid een substantieel aantal studiepunten in een ander vak te halen – van het derde naar het eerste studiejaar te halen. Dan geef je ze nog wat snuffelruimte.”

Het klinkt als een pleidooi om ze langer jong te laten zijn.

“Ja, inderdaad, maar niet als een vrijbrief voor wangedrag en laten aanmodderen. Vroeger besloten ouders over de toekomst van hun kinderen. Wij vragen van hen dat ze het zelf doen. Geef ze die mogelijkheid dan ook.”