Cadeautje voor je valentijn? Pas op, er zit bloed aan chocola

Veel chocola wordt geproduceerd met kinderarbeid. Er moeten veel strengere, internationale regels komen.

Christian Parenti

Onderzoeksjournalist. Auteur van ‘The Freedom: Shadows and Hallucinations in Occupied Iraq’.

Als u met Valentijnsdag chocolade koopt, is de kans groot dat die door kinderarbeid is gemaakt. West-Afrika levert 70 procent van de wereldproductie van cacao – de ruwe grondstof van chocolade. Maar liefst 40 procent van ’s werelds cacao is afkomstig uit één land, Ivoorkust. En in Ivoorkust zijn bittere armoede, geweld en kinderarbeid epidemisch.

Zo had het niet behoren te zijn. Al zeven jaar is er een met veel tamtam omgeven industrieel akkoord van kracht, bedoeld om een eind te maken aan de uitbuiting van kinderen in de chocolade-industrie.

Bijna tien jaar geleden maakte een reeks journalistieke onthullingen duidelijk dat de cacao uit het door oorlog verscheurde West-Afrika door arme kinderen werd gemaakt. Cacao was net zo’n omstreden product als ‘bloeddiamanten’ en illegaal hout geworden. Het was een goudmijn voor lokale gangsters, oorlogvoerende milities en multinationals als Cargill, Archers Daniel Midland en Barry Callebaut.

De controverse over de ‘bloedchocolade’ leidde tot het Harkin-Engel-protocol, een vrijwillige zelfregulering door de chocolade-industrie, opgesteld met hulp van twee Amerikaanse Democratische politici – Senator Tom Harkin uit Iowa en Congreslid Eliot Engel uit New York.

Volgens dit protocol zou de kinderarbeid in de cacao-industrie in 2008 zijn uitgebannen. Sommige NGO-vertegenwoordigers – zoals de mediaterriër Kevin Bales van Free The Slaves – begroetten het protocol als model voor de aanpak van armoede en uitbuiting in ontwikkelingseconomieën. Bales zou graag eenzelfde protocol in andere industrieën willen zien. Helaas is dat een belachelijk idee – het zou niets helpen om de levensstandaard van de arbeiders te verbeteren.

In de herfst van 2007 trok ik samen met een fotograaf twee weken door de cacaogordel van Ivoorkust. Onze bevindingen wezen uit dat de hooggestemde retoriek van het Harkin-Engel-protocol ter plaatse niet in concrete inspanningen is vertaald. Het protocol is op zijn best een mislukking en in het slechtste geval een serie smerige leugens.

We zagen talrijke voorbeelden van kinderarbeid: overal werkten kinderen. We zagen hen midden op schooldagen letterlijk langs de weg met pesticiden sjouwen en met machetes zwoegen op de cacaoplantages. Sommige kinderen waren getekend door verwondingen die met werk te maken hadden; één kind had een verbonden scheenbeen van een recente slag met een machete. De meesten waren analfabeet en woonden in lemen hutten. Ze hadden geen toegang tot de gezondheidszorg.

Dankzij de goedkope cacao die zij produceren worden de eigenaars van Cargill en andere buitenlandse bedrijven schatrijk: vorig jaar maakte Cargill een winst van 2,34 miljard dollar – 36 procent hoger dan het jaar ervoor.

Eén kind dat we spraken was pas zeven. Hij heette Sami. Hij ging niet naar school. „Ik kan het schoolgeld niet betalen”, legde zijn vader Otou Sery uit toen we even bleven staan op een onverharde weg bij het dorp Le Ssiri. Om te eten moet Sami werken.

We ontdekten ook gevallen waarin grote buitenlandse bedrijven, waaronder Cargill uit Minnesota, op een aantal manieren de Ivoriaanse wet overtraden, bijvoorbeeld door illegale gevangenneming van cacaoboeren die in de schulden waren geraakt. Een van de mensen die op last van Cargill gevangen was gezet was een jongeman, Lucien Adje, die boekhouder was geweest bij een coöperatie genaamd Cevaco.

„Ik werd meegenomen naar San Pedro en in een kleine cel gezet” zegt Adje. „Je moest alles op één plaats doen – u weet wel, urineren, je ontlasting doen. Ik kon niet veel eten. Het was zo vies.” De arrestatie van Adje was onwettig – in Ivoorkust kunnen mensen met schulden niet gevangen worden gezet, alleen hun onderpand kan in beslag worden genomen. Maar zoals een boer uitlegde: „In Ivoorkust is het onwettige normaal.”

We zagen ook dat Cargill en andere buitenlandse exporteurs diep in het binnenland gebruikmaken van clandestiene pakhuizen en opkoopposten van cacao. Dit wordt beschouwd als oneerlijke concurrentie voor de kleine Ivoriaanse bedrijven. Maar Cargill doet het toch en de overheid kijkt de andere kant op.

Het Harkin-Engel-protocol werkt via het International Cocoa Initiative (ICI), een NGO in Genève. Op zijn beurt werkt het ICI ter plaatse in Ivoorkust via de NGO Mesad (Movement for Education, Health and Development), die dakloze straatkinderen onderdak en onderwijs verstrekt. Maar toen wij een bezoek aan Mesad brachten, legde de directeur uit dat er in de opvang geen kinderen uit de cacaosector verblijven en dat het ICI in het verleden maar acht minderjarige gewezen cacaoarbeiders heeft gesteund, die tussen de één en vier maanden in de opvang hadden gewoond. Het Mesad-verblijf is een smerige bende en het ruikt er naar urine. Een paar vervuilde kinderen sliepen op de betonnen vloeren.

De werkelijke oplossing zou stevig overheidsingrijpen met zich mee moeten brengen – niet alleen in Ivoorkust, maar ook in de Verenigde Staten. Maar de regering van Ivoorkust wordt als een van de meest corrupte ter wereld beschouwd. Een groot deel van de belastingopbrengst uit de cacao-industrie wordt gestolen. Het is onrealistisch om te denken dat de regering van Ivoorkust de landbouwreuzen zal aanpakken.

Wat moet gebeuren is dat de regeringen van rijke landen de wetteloze chocolade-industrie normen gaan opleggen.

Het is de verantwoordelijkheid van politici in Europa en Amerika om hun snoepfabrikanten – oftewel de geldschieters van hun campagnes – tot de orde te roepen.