Wie niet oordeelt, telt niet mee

Jarenlang hebben critici en literatuurwetenschappers zich laten knechten door postmodern relativisme. Om hun vak te redden moeten ze weer over kwaliteit durven spreken.

Rónán McDonald: The Death of the Critic. Continuum Books, 224 blz. € 26,99

‘Beauty is in the eye of the beholder.’ Hoe oud deze wijsheid ook is, pas in de wereld van Idols en Dancing with the stars zien we wat de consequenties ervan zijn. Schoonheid en kwaliteit zijn geen eigenschappen, maar kwalificaties die mensen aan iets toekennen. Dit inzicht zet van alles op losse schroeven. Bijvoorbeeld de autoriteit van iemand die er zijn beroep van gemaakt heeft om voor anderen te bepalen wat wel en niet ‘mooi’, ‘goed’ of ‘de moeite waard’ is. De literatuurcriticus is zo iemand. Hoe is het met zijn autoriteit gesteld in een wereld van zelfbewuste consumenten?

The Death of the Critic van de Britse literatuurhistoricus Rónán McDonald heeft een kort en duidelijk antwoord op deze vraag. Met de radicale democratisering van de smaak, in de afgelopen decennia, is de criticus buitenspel gezet. Liet de lezer van literatuur zich vroeger gidsen door het oordeel van een expert, nu beslist hij zelf wat ertoe doet en wat niet. Het afgewogen, deskundige oordeel van de professionele criticus is ‘ook maar gewoon een mening’, niet beter dan de opinie van een willekeurige bloggende wijsneus.

Op zichzelf is de dood van de criticus geen nieuws. Wat wel nieuw is, en gedurfd, is McDonalds scherpe aanval op het triomfalisme van de velen die in de afgelopen jaren tevreden hebben vastgesteld dat de elitaire en autoritaire critici van weleer in de wereld van vandaag geen potten meer breken. We dreigen te vergeten, zegt hij, welke vitale rol de schiftende en bemiddelende kritiek van oudsher speelde in de cultuur en hoezeer die in een tijd van laagdrempelige media onder druk staat. Wil de kritiek weer een rol gaan spelen (en McDonald wil dat ze dat doet), dan zit er voor de criticus maar één ding op: schud het postmoderne relativisme van je af en durf weer te oordelen.

McDonald vindt dat de tijd rijp is om af te rekenen met het politiek correcte cultuurrelativisme dat het debat over literatuur sinds een jaar of dertig in zijn greep heeft. Zijn boek past daarmee in een discussie die begon na de terroristische aanvallen in New York en Washington. In verschillende Amerikaanse kranten werd toen gesuggereerd dat de ineenstorting van de Twin Towers het einde zou betekenen van het postmodernisme. De postmodernist zou voortaan wel uitkijken om nog eens te verkondigen dat universele waarden niet bestaan, zo was de gedachte. Opvattingen en meningen zijn níet allemaal even goed. We have seen the face of evil! Hier in Nederland constateerde journalist Michaël Zeeman een week na de aanslagen ogenschijnlijk tevreden dat ‘een paar rake klappen’ het ‘lamme cultuur-relativisme’ van het postmodernisme het zwijgen hadden opgelegd.

Waren deze dansjes op het graf van een kennelijk onwelgevallige cultuurstroming fijnzinnig, net nadat er 3000 doden waren gevallen? Nee. Was het beeld dat de commentatoren schetsten van het ‘postmodernisme’ fair? Niet werkelijk. Toch hadden ze wel een punt. De Westerse droom van een neoliberale wereld waarin alle partijen hun ideologische veren hadden afgeschud, lag aan diggelen. Waarden mogen relatief zijn, plotseling zagen we weer dat ze daarmee nog niet irrelevant worden.

Vanuit de ethiek stapt McDonald over naar de esthetiek en pleit hij ervoor ook smaakoordelen minder te relativeren. Een smaakoordeel is niet absoluut, maar het wortelt wel in geschiedenis en cultuur, en vaak ook in consensus. Wie die historische, culturele en sociale inbedding van literaire waarde ontkent, bagatelliseert niet alleen zijn eigen rol als criticus, maar vooral ook de literatuur. En dat is wel het laatste waar we op zitten te wachten nu het maatschappelijke en culturele gewicht van de literatuur toch al zo fors afneemt.

Prikkelend

Je kunt je afvragen in hoeverre McDonalds aanval op het postmoderne relativisme speciaal de literair criticus raakt. Het postmodernisme is, zeker ook in Nederland, niet iets waarmee de gemiddelde recensent zich graag afficheert. Het is daarom zeker ook de academische ‘critic’ (wij zouden zeggen: literatuurwetenschapper) met wie McDonald in discussie gaat. Een flink deel van zijn betoog is gewijd aan een trefzekere schets van de geschiedenis van de kritiek in de dubbele, Angelsaksische, betekenis van het woord: literatuurkritiek én academische literatuurbeschouwing. En die schets is op zichzelf een prikkelend statement over de stand van het vak vandaag.

Tot ver in de vorige eeuw was er één dominante kritische traditie. Het voorschrift van de invloedrijke Engelse dichter en criticus Matthew Arnold dat je je moest bezighouden met het propageren van ‘het beste dat er in de wereld gedacht en gezegd is’, was de richtlijn voor zowel de criticus als de academicus. In deze sterk evaluatieve traditie (wat is dat, ‘het beste’?) werden geen vragen gesteld over de waarde van literatuur.

Het ging volgens McDonald mis aan het eind van de jaren zestig. Met de anti-autoritaire geest van 1968 zette vanuit de academie een onstuitbare onttovering van de literatuur in. Eerst verkondigde Roland Barthes de dood van de auteur en ontdeden zijn collega-structuralisten de literatuur vakkundig van haar aura. Achter de eeuwige waarheden van Shakespeare kon een zelfde structuur blijken te zitten als achter een soap of een pulproman. Vervolgens zetten de poststructuralisten de demystificatie voort door met veel retorisch geweld op de elitaire associaties van canons, tradities en evaluatieve uitspraken te wijzen. ‘Evaluatie’ werd taboe voor deze postmodern georiënteerde wetenschappers. Het hoorde bij en naïef en zelfs politiek schadelijk idee van literatuur dat gekenmerkt werd door bedeesde bewondering voor het schrijversgenie.

Helemaal mis ging het tenslotte toen aan de universiteiten Cultural Studies opkwam, de succesvolste academische richting die op het postmoderne fundament gebouwd is en het zwarte schaap in McDonalds boek. Cultural Studies maakte het postmoderne gedachtegoed van denkers als Barthes, Foucault, Derrida, Kristeva en Lacan populair onder grote groepen literatuurbeschouwers van de traditionele letterendisciplines, zoals English Studies (zeg maar het Angelsaksische equivalent van de Neerlandistiek). De vraag waarom bepaalde literaire teksten canoniek waren, werd niet meer beantwoord aan de hand van de teksten zelf, maar aan de hand van de per definitie behoudende agenda van hen die machtig genoeg waren om aan de canoniciteit van de tekst bij te dragen. Teksten die door generaties (traditionele) critici met een zweem van sacraliteit waren omhangen, bleken plotseling doorgeefluiken van imperialisme en racisme te zijn.

Kloof

McDonald geeft flink af op deze political turn in de literatuurwetenschap. Soms slaat hij daarin door, en dat heeft ermee te maken dat zijn centrale stelling te eenvoudig is. Als de huidige kloof tussen literatuurbeschouwing en publiek inderdaad te wijten is aan het succes van de postmoderne relativisten bij Cultural Studies, wat is er dan bijvoorbeeld in Nederland gebeurd? De political turn – met zijn heilzame herwaardering van de context, zijn kritisch zelfbewustzijn en zijn belangstelling voor de sociale inbedding en ethisch-politieke dimensie van de literatuur – heeft in de destijds nogal conservatief ingestelde Neerlandistiek nauwelijks een poot aan de grond gekregen. Kennelijk maakt dat voor de status van de criticus niet zoveel uit. Die is hier net zo dood als in Engeland of de Verenigde Staten.

Maar de (te eenvoudige) beantwoording van de schuldvraag is niet waar het om draait. Misschien laait het polemisch vuur in de discussie met Cultural Studies ook wel hoger op dan McDonald eigenlijk wil, want hij toont zich terdege bewust van de verworvenheden ervan. Evenmin als de postmodernen die hij bekritiseert, moet hij iets hebben van (nog steeds niet helemaal uitgestorven) gedachte dat de literatuur, als autonome kunstvorm, gescheiden is van (en dus verheven boven) andere vormen van taalgebruik. Hij waardeert de recente herontdekking van de context van literatuur en ziet het als winst dat we literatuur breder zijn gaan opvatten dan de canon alleen. Ook wil hij niet terug naar de theoretische naïveteit van weleer, toen de literatuurkritiek nog een soort eredienst was en lezen iets dat aan vooronderstellingen vooraf ging.

McDonalds verfrissend onnostalgische kritiek op de huidige literatuurbeschouwing is vooral interessant waar zij zich richt op het falen van critici en wetenschappers in de strijd tegen hét probleem van de literatuur in de wereld van vandaag: de snelle ontwaarding ervan. In The Death of the Critic is een literatuurwetenschapper aan het woord die zich de taak stelt om zich strijdbaar teweer te stellen tegen de dreigende verdwijning van de literatuur uit het intellectuele debat. Hij zoekt de oorzaken van de malaise nu eens niet in dingen waar we niets aan kunnen doen (massificatie, democratisering, zapcultuur), maar bij zichzelf: in de recente geschiedenis van de literatuurbeschouwing.

Hebben we ons, met het verwaarlozen van onze taak als deskundig oordelende gidsen, niet te zeer van het publiek en zijn verwachtingen afgekeerd? Een dappere vraag in een fris boek, dat voor de discussie van de komende jaren wel eens heel belangrijk zou kunnen worden.