Voor altijd een ‘mieghummel’

Martin Hendriksma: Familievlees. De Geus, 384 blz. € 19,90

Charlotte Mutsaers wijdde haar nieuwe roman, Koetsier Herfst, aan het dierenactivisme. In heftige scènes liet zij actievoerders (met bivakmutsen) kreeften bevrijden. Nijlpaarden, garnalen en vissen werden met meer liefde beschreven dan mensen. Mutsaers zou waarschijnlijk gruwen bij de gedachte aan het onderwerp dat Martin Hendriksma (Sneek, 1966) koos voor zijn eerste roman. Van begin tot eind draait het hier om slachtvee, om varkens die worden uitgesneden, verhakt en vermalen tot karbonade, worst, ham en kroket. Veel bloed en stank en mest en gegil uit duizenden varkenskelen.

Toch rijst uit al dit slachtgeweld een fijnzinnig en spannend verhaal op, over de varkenshandelaar Harmen Barels en zijn twee zoons, droogjes verteld, met gevoel voor landschappelijke details. Neem alleen al de smartelijke passage over het ondermaatse varken Zacharias dat op een barre winterdag niet meer verder wil lopen en uitgeput in de sneeuw blijft liggen.

Harmen wil hem uit zijn lijden verlossen, maar hij kan het niet over zijn hart verkrijgen en zo blijft het dier zieltogend achter. ‘Als een overbodig wezen’, zo sombert Harmen, die anders niet inzit over de vele varkens die hij naar het slachthuis brengt. Ook met de clichés over de provincie kan Hendriksma goed uit de voeten. Ze zijn royaal verwerkt in de roman: benepen dorpssfeer, gegluur door andermans ramen, de neiging om iedereen een poot uit te draaien.

Hendriksma portretteert in Familievlees een familiebedrijf dat vele decennia vermaard was om zijn metworst, totdat het werd overgenomen door ‘de Lever Unie’. Daarbij liet hij zich inspireren door de geboekstaafde geschiedenis van exportslachterij Udema, die tot 1995 opereerde in en vanuit het Drentse Gieten. Maar Hendriksma bedacht er vooral veel bij: het niet bestaande dorp Garssen, de van het veen afkomstige familie Barels, Friese invloeden, kleurrijke personages, avontuurlijke verwikkelingen, een onhandige schietpartij, lepe zakenpartners, een dodelijk ongeval met een Cadillac en veel ongeluk in de liefde.

We zien Harmen Barels opklimmen van stotterend turfstekertje tot vleesfabrikant, van armoedzaaier tot miljonair, van plaggenhut naar dorpsvilla. Een succesverhaal, maar toch wringt er steeds iets. De twee zoons die verder uit elkaar groeien, de oorlog, de angst voor vreemdelingen, Molukkers vooral, de tegenvallende cijfers, de leegloop van het platteland, die men met kunstmatige middelen een halt probeert toe te roepen.

Door alles heen is steeds het besef aanwezig bij de vader, maar ook bij zijn zoons, dat zij Drents zijn en dat altijd zullen blijven. Hoeveel contacten en contracten er ook volgen met westerlingen, ze horen er nooit helemaal bij. Als er gedronken moet worden, dan kiezen ze voor bier of jenever. Als een van de zoons uit eten dreigt te moeten, dan beroept hij zich op de ‘boeskool’ (rode of witte kool) uit moeders keuken. Ze blijven een soort ‘mieghummels’ (mieren) in het mondiale bedrijfsleven, hoe feestelijk ze soms ook worden onthaald.

Het mooist aan deze roman is de Rosenboomse doem die er steeds boven hangt: de wetenschap dat alles wat is opgebouwd weer teloor zal gaan. De grootste angst is wel om te sterven als het varken Zacharias: eenzaam achtergelaten in de sneeuw, als een overbodig wezen.