‘Uiteindelijk gedij ik het best in mijn eentje’

Ineke Jungschleger: Henk van Ulsen solist. Theater Instituut Nederland, 192 blz. € 29,50

‘Ik weet niet wat ik moet worden’, schreef Henk van Ulsen begin 1945 aan een vriend. Een paar maanden later las hij echter een advertentie waarin ‘adspirant tooneelisten’ werden opgeroepen voor een auditie bij de Amsterdamse toneelschool. Nog even informeerde hij of dat te combineren was met een theologiestudie, maar al gauw besloot hij toch maar geen dominee te worden. En nu, op zijn 80ste, is aan hem het negende deel gewijd in de reeks acteursmonografieën van het Theater Instituut Nederland – geen meeslepend vertelde levensverhalen, maar wel informatieve carrièrebeschrijvingen die ook de context van die carrières laten zien. Zo wordt langzaam maar zeker ook heel wat naoorlogse toneelgeschiedenis belicht.

Henk van Ulsen solist, geschreven door journaliste Ineke Jungschleger, voegt daar weer een nieuw aspect aan toe. Van Ulsen was immers (al in 1956) de eerste van zijn generatie die freelance-acteur werd. Terwijl zijn collega's nog in vaste dienst waren bij de grote toneelgezelschappen, ging Van Ulsen zijn eigen weg. Hij speelde gastrollen in modernistische stukken, maakte solovoorstellingen, verzorgde voordrachten en werkte ook in het lichtere genre. De omgeving van een traditioneel toneelgezelschap paste hem niet. ‘Hij is typisch geen man om zich te binden’, zegt de theoloog en dichter Huub Oosterhuis in het boek. ‘Je ziet het ook aan zijn ogen, het schichtige, wegkijkende’. Wat dat betreft zijn de acteur en de privépersoon volstrekt vergelijkbaar, aldus menigeen: Van Ulsen is altijd een eenzelvige eenling gebleven. ‘Uiteindelijk gedij ik het best in mijn eentje’, beaamt hij. Jungschleger legt dan ook een duidelijk verband tussen de man en zijn rollen: Van Ulsen is altijd op zijn best geweest als hij een outsider kon spelen.

Kritiekloos is de schrijfster niet. Ze laat collegae en ex-vrienden aan het woord, die Van Ulsen ronduit egocentrisch noemen. Een acteur met sterallures. ‘Hij wilde alleen maar excelleren’, vertelt regisseur John van de Rest over een voorstelling met Van Ulsen. Bovendien citeert Jungschleger wat de dichteres M. Vasalis verzuchtte toen ze had gehoord hoe de acteur een van haar gedichten voordroeg: ‘Zo erg kan ik het toch niet bedoeld hebben’. Uit andere passages blijkt trouwens dat Van Ulsen zelf uitstekend in staat is met enige afstand over zijn prestaties te spreken: ‘Ik speelde te veel op een typische Van Ulsen-routine. Ik dreef vooral op techniek’. Met als resultaat dat dit negende deel misschien het meest afgewogene van de serie is.