Rondjes rijden in maïskolven

Simon Henley: The Architecture of Parking. Thames & Hudson, 256 blz. 568 ill., € 39,50

Kolossaal, labyrintisch, claustrofobisch: de meeste mensen, vooral vrouwen, hebben een hekel aan parkeergarages. Simon Henley niet. Als jongetje al vond hij ze ‘oorden van geheimzinnigheid en dynamiek’. Als volwassene, nu architect in Londen, is hem de fascinatie bijgebleven voor ‘de mysterieuze, soms onmenselijke schoonheid die uit de extreme horigheid aan de auto is ontstaan’.

Henley’s belangstelling voor de zonderlinge esthetiek van dit gebouwtype heeft geresulteerd in een rijk geïllustreerde boek, The Architecture of Parking, met talloze voorbeelden uit Amerika en Europa en een aantal abstract-stemmige foto-essays van Sue Barr.

Een parkeergarage is een gebouw dat geen gebouw is. Garages zijn autonoom, vaak staan ze letterlijk los van hun omgeving, en hun vorm en ordening worden bepaald door onwrikbare wetmatigheden als de maat en de draaicirkel van de auto. Henley bekijkt ze behalve als een nuttige voorziening, ook als onderdeel van de stad en een bron van schoonheid. Daarmee opent hij ons de ogen voor een heel andere kant van de garage: de esthetische.

Aangezien de garage net als de snelweg niet meer uit het leven van alledag weg te denken is, kunnen we er maar beter wél aandacht aan schenken, vindt Henley. Het beste bewijs van zijn gelijk zijn de voorbeelden die hij opvoert. De twee opengewerkte ronde torens als maïskolven die in de jaren zestig aan de rivier in hartje Chicago werden gebouwd, bijvoorbeeld, volgens de auteur ‘de meeste heroïsche parkeerstructuur ooit gebouwd’. Of die garage van het warenhuis Debenham’s in Londen, met een buitengevel als geometrisch opengewerkt kant van wit beton.

Het is logisch dat de parkeergarage zich sneller ontwikkelde in Europa dan in Amerika, waar de oplossing werd gezocht in het aanleggen van asfaltvlaktes. Hoezeer we ons met de garage hebben verzoend, blijkt uit het feit dat het parkeren niet meer het domein is van de ingenieur alleen, maar veel meer nog van de architect en stedenbouwer die het parkeren integreert met andere onderdelen van de stad als woningbouw, kantoren en winkels.

Sinds medio jaren negentig lopen Nederland en Duitsland volgens Henley voorop in het ontwerpen van garages, waarbij ‘Nederland de toeschouwer wil choqueren en Duitsland wil hem verrukken’. De Nederlandse ontwerpen vallen op door het speelse gebruik van de hellingbaan. Om dat te staven haalt Henley andere ontwerpen aan, zoals de briljante fietsflat van bureau VMX dat voor het Centraal Station in Amsterdam drijft, in feite één lange gevouwen metalen hellingbaan. Ook het wilde (en nooit uitgevoerde) voorstel van NL Architects komt langs, om de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam te verlengen met een in elkaar gevouwen ‘parkeerlint’ van een kilometer lang: de straat en de garage worden één.

De uitblinker is het Souterrein in Den Haag van Koolhaas’ bureau OMA, waarmee de tram, de parkeergarage en de straat op ingenieuze wijze met elkaar worden verknoopt. Het blijkt mogelijk te zijn om een parkeergarage te ontwerpen waar je voor je plezier ingaat.