Rails

Bijna drie jaar op aarde en dan voor het eerst een treinreis maken – hoe zou dat zijn?

Ik was erbij, als grootvader, maar toch voel ik me nu een machteloze reporter. Ik kan de lezer geen harde feiten aanbieden, hooguit vage impressies. Het liefst zou ik in Glenns hoofdje zijn gekropen om verslag uit te brengen, maar ik moest genoegen nemen met mijn waarnemingen van zíjn waarnemingen.

Kind zijn en doodgaan, we zullen nooit weten hoe dat precies is.

’s Middags hadden we hem afgehaald bij zijn oppasouders in Almere en de intercity naar Amsterdam genomen. Het was nog tamelijk stil in de trein. Achter ons zat een groepje werknemers de voor- en nadelen van hun cao door te nemen. Een vrouw had het hoogste woord. Ze vond dat ze te weinig verdiende – ruim 2000 euro schoon – hoewel ze belangrijker werk verrichtte dan een of andere vrouwelijke collega. „Maar niemand die het ziet.”

Ook die vernuftige loongebouwen van de moderne werknemer blijven lekkages vertonen.

De verongelijkte stem van de vrouw schalde door de ruimte. Glenn keek naar het plafond van het compartiment. „Waar zit die mevrouw?” vroeg hij. Voor hem moet ze een wraakengel op een wolk zijn geweest. Pas toen dat raadsel bevredigend was opgelost, richtte hij zijn aandacht op de voorbijschietende buitenwereld.

Je zou denken dat hij naar de verre horizon – die heb je nog voorbij Almere – zou turen, naar de grauwe luchten en het onaandoenlijke water eronder, maar dat is hooguit interessant voor de weemoedige volwassene. Voor Glenn telden alleen de lege rails, die enkele meters verderop evenwijdig met de onze liepen. O die onbegrijpelijke rails. Waarom waren ze daar? Waarom was één paar rails niet voldoende?

Hij luisterde aandachtig naar onze uitleg. Een trein flitste langs ons heen. „Is dat de trein uit Amerika?” vroeg hij.

Zijn moeder was een beetje bezorgd geweest voor dit reisje. „Hij gaat door de trein hollen”, voorspelde ze. Moeders vrezen altijd het ergste. Glenn is geen moment van zijn plaats gekomen. Hij moest die rails in de gaten houden en af en toe doen alsof hij de bezienswaardigheden die zijn grootvader aanwees („Een molen, Glenn!”) interessant vond. Verder waren er de gevaren waarvoor oudere mensen blind zijn. „Die schapen daar, gaan die nu onder de trein lopen?”

Eenmaal in Amsterdam hoorde je hem al niet meer over de trein. „Waar is nou de Westertoren?” vroeg hij steeds. Hij wil hem al met ons beklimmen, een echte jongetjeswens. Ik keek naar hem terwijl hij zich door zijn oma liet voortduwen. „Ik vind je zo lief” , zei hij opeens tegen haar, „ik wil altijd bij je blijven.”

Hij was tevreden. Het treinreisje zat erop – nu de rest nog.

Het leek allemaal zo vanzelfsprekend. Maar ’s avonds zag ik in het Journaal een foto van dat 9-jarige Chinese jongetje, Leonardo Zhang, achtergelaten door zijn moeder in de trein van Leiden naar Haarlem. Hij sprak zowel Italiaans als Chinees. Misschien was hij wel met de trein uit Amerika gekomen.

Was er soms iets misgegaan tussen zijn ouders? Hoe dan ook, er was nu even niemand meer van wie hij kon houden en die de rest van zijn leven voor hem zou zorgen.