Paella en een cocktail op elk moment van de dag

All Inclusive heet de tentoonstelling over massatoerisme in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt. De deelnemende kunstenaars komen uit alle windstreken. Ze behandelen – tja, wat behandelen ze eigenlijk niet?

Sleutelwoord: adembenemend. Slot Neuschwanstein in de Ost-Allgäu. Torens zo wit als zwanendons. Muren zo hoog als van een gotische kathedraal. Gebouwd tussen 1869 en 1886 door de verdroomde koning Ludwig II van Beieren, op de plek die hij de mooiste van de wereld vond. Keek Ludwig door een raam van een van de torens van zijn kasteel naar buiten, dan zag hij een subliem landschap, zoals Caspar David Friedrich het een halve eeuw daarvoor schilderde. Besneeuwde alpentoppen, een spiegelglad bergmeer, een woest bruisende beek die zich aan de voet van zijn kasteel door een nauwe kloof perste.

Er kwamen geen bezoekers in Neuschwanstein. Toen althans niet. Maar al zeven weken na de dood van Ludwig in 1886, opende Beieren de deuren van het nog niet voltooide slot voor publiek. Sindsdien is Neuschwanstein uitgegroeid tot één van de meest bezochte plekken en meest gekopieerde plekken van Europa. Het slot heeft zijn weg gevonden naar Disney-resorts, koektrommels, Ravensburger puzzels, chocoladewikkels, borduurlappen, koeienbellen en zelfs naar de naam van een symfonische rockgroep.

Meer dan 1,3 miljoen toeristen persen zich jaarlijks door de gangen. Ze staan in de file op weg naar de reusachtige parkeerterreinen die op een uur lopen liggen, staan drie kwartier in de rij voor een entreekaartje, wandelen langs overvolle restaurants en souvenirwinkels naar het kasteel en betreden vol verwachting de binnenplaats. Daar wacht ze een betonnen vlakte, want de oorspronkelijke klinkerbodem is al lang niet meer bestand tegen al die voeten. Boven een serie hightech bushokken knipperen digitale cijfers. Tournummer 468, Einlasszeit 13:40. Tournummer 472, Einlasszeit 13:45. Tourniquets zijn meedogenloos: een minuut te laat is een minuut te laat en betekent terug naar het ticketcentrum voor een nieuw kaartje, een nieuw tournummer en een nieuwe Einlasszeit.

Ook ik ben er geweest.

Ik slofte achter een groep zwetende bejaarden de strak gemetselde, tweebaans trappen van het kasteel op en af. Rechts van een koord liepen wij, links passeerden tegenliggers. Achter muren, op trappen, in zalen die voor onze tour nog gesloten bleven – overal op Neuschwanstein ritselde en fluisterde het. Dat waren zij – de andere groepen. Soms ving je een glimp van ze op, als er plotseling ergens een deur openging. Soms trapte je ze op de staart, als je te snel liep.

Ik hoorde de gids vertellen hoeveel treden de trappen precies telden, hoeveel cassettes er in het plafond van de troonzaal zaten, hoe hoog de torens waren. Ik heb geen geheugen voor nummers, aantallen, jaartallen – en ik heb nooit begrepen waarom toeristische gidsen zo vol getallen zitten. De gids vertelde niet over zwanenridder Lohengrin, met wie Ludwig zich op het eind van zijn leven vereenzelvigde, over de symboliek van de schilderingen aan de muur, over Ludwigs verering van Wagner. Alleen dus die cijfers. Na exact vijfendertig minuten was de rondleiding voorbij. Twee souvenirwinkels vormden heel strategisch de laatste corridor naar de uitgang. Ik keek naar de gezichten van de mensen om me heen. Ze waren enthousiast. Ze hadden genoten. Goed dat ze gekomen waren. „Magnifiek”, zeiden ze tegen elkaar. „Kom, we kopen nog een aandenken.”

Het is makkelijk om te spotten. Om je neus op te halen voor het soort dubbeldikke clichés als Neuschwanstein en voor de mensen die er naartoe gaan. Domme hordes, klapvee. Het tegendeel van wat je zelf wilt zijn: individualistisch, kritisch, op zoek naar oorspronkelijkheid en avontuur. Inderdaad, de wereld door met de Lonely Planet gids die zo gemakkelijk in het voorzakje van je hippe tuinbroek past.

In Neuschwanstein is het druk. Maar het wordt er nog veel drukker in de toekomst. Overal. De cijfers zijn angstaanjagend. De World Tourism Organization, een internationale branche-organisatie voor de toeristenindustrie, heeft onlangs berekend dat het aantal internationale ‘aankomsten’ – de organisatie spreekt alleen van aankomsten – tussen 1950 en 2005 is gestegen van 25 miljoen tot 806 miljoen. In 2010, zo zijn de prognoses, zal de teller voor het eerst het magische getal van 1 miljard raken. Tien jaar later, in 2020, zal dat aantal al zijn opgelopen tot 1,6 miljard.

Sleutelwoorden: authenticiteit, spiritualiteit, gezondheid, cultuur en educatie – volgens ons eigen Nederlands Bureau voor Toerisme. In de toekomst gaan meer dan een miljard mensen op reis om ‘authentieke mensen te ontmoeten’, ‘streekproducten te eten’, ‘vreemde talen te leren’ of ‘zingevingsreizen te maken’. Zoveel aankomst. Zoveel vertrek. Zoveel onmogelijk te verenigen dingen bij elkaar. En daar toch naar verlangen. Waarom?

De Britse schrijver Alain de Botton

probeerde in The Art of Travel, in 2002 verschenen bij Penguin, grip op het fenomeen van het massatoerisme te krijgen. Zoals alleen De Botton dat zo virtuoos kan, doorvlocht hij ogenschijnlijk losjes zijn eigen impressies en gedachten opgedaan tijdens een kokosnotenvakantie op Barbados, een verregende wandeltocht in het Lake District en een reis door zijn eigen slaapkamer, met ervaringen van kunstenaars en schrijvers die hem soms kort geleden, soms al eeuwen terug waren voorgegaan.

Zat de Franse dichter Charles Baudelaire in 1859 twee maanden lang op een stoel aan de kade van Honfleur schepen te kijken – die kolossale wonderen van techniek en kalmte, die ‘hun zeilen hijsen op zoek naar geluk’ – dan is dat voor De Botton aanleiding om onze hedendaagse schepen – de vliegmachines – te spotten langs landingsbaan 09L/27R bij Heathrow. Dezelfde ‘diepe en mysterieuze charme’ die Baudelaire trof aan de schepen in de haven van Honfleur, treft De Botton op het asfalt langs de landingsbaan. In detail beschrijft hij de poëzie van de machine in de lucht, de landingslichten die knipperen in de motregen, het landingsgestel dat uit de buik van het vliegtuig daalt, de weg die de machine heeft afgelegd om hier te komen.

Het klopt. Als je The Art of Travel uit hebt, zul je frisser om je heen kijken. Je zult minder nonchalant een vertrekhal betreden, de wachtenden bij de incheckbalie bekijken, een vliegtuig boven je hoofd voorbij laten vliegen of gewoon een kartonnen beker slappe koffie in een hoek van een tankstation langs de snelweg leegdrinken. De Botton geeft het moderne reisverkeer, de moderne wachtruimtes, de moderne reiziger en de plekken van doorgang waar alles op zakelijkheid en efficiency is gericht, een nieuwe, verloren gewaande, romantische betekenis. Als je zijn boek leest, is het alsof je zelf een schilderij van Edward Hopper vervaardigt, van deze tijd.

Ook de Schirn Kunsthalle in Frankfurt

– geleid door Max Hollein, een van de meest ambitieuze museumdirecteuren van Europa – wil in haar tentoonstellingsprogramma graag de tijdgeest achter de vodden zitten. Zo organiseerde de Schirn in het verleden spraakmakende tentoonstellingen over het fenomeen ‘shopping’, het communisme na de Val van de Muur en over hedendaagse utopieën. De komende maanden staat alles in het teken van het toerisme en wat kunstenaars daarover te melden hebben.

All Inclusive heet die tentoonstelling – zo genoemd naar de compleet verzorgde hotel-bulkvakanties aan Thaise, Turkse en Spaanse Rivièra’s, waar elk bord paella, elke hamburger, elke cocktail op welk ogenblik van de dag ook besteld, bij de prijs is inbegrepen. Met die spottende titel is de toon gezet. Jullie daar, achter je volgeladen borden, in je touringcars met airconditioning, volcontinue filmprogramma en chemisch toilet – jullie zijn dom, maar weten het nog niet.

Het is dat de Franse schrijver Michel Houellebecq al een roman over de uitwassen van het moderne toerisme heeft geschreven (Platform – midden in de wereld), anders was All Inclusive een mooie titel geweest voor de sardonische boodschap die hij te verkondigen had.

Tweeëndertig kunstenaars doen er mee aan de tentoonstelling. Er zijn bekenden bij – Franz Ackermann, Martin Parr, Tracey Moffatt, Fischli & Weiss, Santiago Sierra – en ook redelijk onbekenden. De deelnemers komen uit alle windstreken. Ze behandelen – tja, wat behandelen ze eigenlijk niet?

Tijdens de persconferentie vorige week kwamen Hollein en de verantwoordelijke curator Matthias Ulrich er niet uit. Een rode draad is er eigenlijk niet, vertelde Ulrich. Maar dat gaf ook niet. All Inclusive toont juist hoe verschillend er naar massatoerisme gekeken kan worden: kritisch, subversief, ironisch en documentair. Het woord ‘verbeelding’ viel niet. In plaats daarvan zei Ulrich: „Het toerisme is een metafoor voor globalisering.”

Er wordt daarom een boel overhoop gehaald in Frankfurt – eventjes, en dan weer verder. Er is kitsch en camp. Tracey Moffat toont een persiflage op de avontuurlijke vakantiedroom met geile stewardessen en opgepimpte piloten die hun biceps laten glanzen. Guy Ben-Ner speelt op een zelfgebouwd eilandje in zijn eigen keuken voor schipbreukeling. Jonathan Monk toont elke dag een andere vakantiedia, onder het motto: ‘Today is just a copy of yesterday.’ Er is ontworteling, een vleugje seks en eenzaamheid. Er zijn ironische commentaren op de leeghoofdigheid en smakeloosheid van de moderne toerist. Er is vervreemding, angst voor avontuur, en ook maatschappijkritiek.

Zo hangt er van de Spaanse fotograaf Santiago Sierra een uit 2001 daterende foto die hij van strandgasten op Mallorca maakte. Sierra, een van de meest subversieve en beste kunstenaars van dit moment, stelt al jaren de hypocrisie van het Westen aan de kaak als het gaat om de omgang met illegalen. Dit doet hij in bizarre, soms haast wrede acties die hij vaak wonderschoon fotografeert.

In 2001 ‘kocht’ Sierra op de Biennale van Venetië een aantal Afrikaanse straatverkopers ‘op’, verfde hun haar blond en stuurde ze met een kleine vergoeding weer terug op straat. In New York metselde hij een illegale Mexicaan in achter een muur, spaarde een smalle spleet uit waardoor de man eten en drinken kreeg, en betaalde hem acht uur lang het minimumloon.

In Frankfurt hangt nu een van zijn minst gelukte werken: een foto van een doorsnee strandtafereel met spelende kinderen en moeders in badpak, met op de achtergrond een rots waaraan een banier is bevestigd: ‘Inländer raus.’ Deze tekst diende als protest tegen de vele Duitsers die de grond en huizen van de oorspronkelijke eilandbewoners in bezit hebben genomen.

Bij een aantal kunstenaars op All Inclusive valt op hoe letterlijk ze het thema van het massatoerisme uitbeelden – alsof ze een mime-voorstelling opvoeren. Eva Grubinger heeft het zichzelf het makkelijkst gemaakt door simpelweg de afzetting bij vertrekbalies naar de museumzaal te transporteren. Michael Elmgreen & Ingar Dragset lieten een bagageband nabouwen, met daarop eindeloos ronddraaiend een smetteloze weekendtas. Christoph Keller spoot een volkswagenbusje zilver en reed dat de museumzaal in.

Ondanks zulke tegenvallende bijdragen, maakt All Inclusive wel iets duidelijk. De goede bijdragen bijvoorbeeld springen vooral vanwege het gebrek aan verbeeldingskracht bij de andere, extra scherp in het oog. Zo toont de Chinese Yin Xiuzhen een verzameling in koffers verpakte steden met flatgebouwen, auto’s en snelwegen, allemaal gemaakt van lapjes stof en wol. Portable City is een poëtische metafoor voor de gedachte dat waar je ook heen gaat, hoe ver je ook reist, datgene wat je achterlaat ook altijd met je meereist.

Ook de Britse fotograaf Martin Parr slaagt erin om verder te kijken dan de oppervlakkige lach waar de moderne toerist toe uitnodigt. Zijn foto’s van toeristen in Zwitserland zijn ontroerend van eenvoud. Parr fotografeerde mannen en vrouwen op de rug gezien, soms alleen, soms in een groep. Al op leeftijd. Met of zonder zonnebril, met of zonder hoedje tegen de zon, met of zonder jas tegen een plotseling opstekend windje. Ze zijn kaal, grijs, van middelbare leeftijd, kwiek, maar niet meer kwiek genoeg om zelf uit wandelen te gaan – als ze dat ooit al zouden hebben gedaan. Ze zijn met zijn allen en kijken uit over een landschap van besneeuwde toppen onder een helderblauwe hemel. Sleutelwoord: adembenemend.

Martin Parr brengt de toppen van de Jungfrau en de Matterhorn lichtjes onscherp in beeld, maar niet zo onscherp dat de bergen hun schoonheid verliezen. Parr richt zijn aandacht en zijn camera op de mens op de voorgrond: een kwetsbare, allang niet meer zo jonge nek, een kalend hoofd, een rug vlak voor onze neus. Hij laat zien hoe die mens in alle argeloosheid datgene bewondert wat buiten zijn bereik blijft. En dat ontroert, of die mens nu een stomme toerist is of niet.

Tentoonstelling: ‘All Inclusive: a Tourist World.’ T/m 4 mei. Schirn Kunsthalle, Römerberg, Frankfurt. Di en vr t/m zo: 10-19u, wo en do 10-22u.