Op de golven van het leven

In haar nieuwe boek volgt Judith Koelemeijer stapsgewijs het avontuurlijke bestaan van Anna Boom. Maar is dat voldoende voor een opwindend boek?

Judith Koelemeijer: Anna Boom. Plataan, 239 blz. € 24,95

‘Echt gebeurd doet niet ter zake’, riep mijn vader altijd tegen zijn mavo-leerlingen. „Of een boek wel of niet echt gebeurd is, maakt niets uit.”

Tot op een dag een meisje haar hand opstak en zei: „En Anne Frank dan?”

„Ik was direct verslagen, vertelde hij nog jarenlang tevreden.

Waarom maakt het wél uit of een boek echt gebeurd is? Echt Gebeurd en detectives – dat lezen veel mensen het liefst. Ik ook. Detectives omdat er aan het eind altijd een duidelijke oplossing is, wat in het gewone leven en in gewone romans zelden het geval is. En waarom zou ik een boek lezen als ik in dezelfde mist terechtkom als die waarin ik zelf al elke dag ronddool?

En daar verschijnt dan het Echt Gebeurde Boek. Ook dat draagt die overzichtelijkheid in zich. Want de schrijver heeft dat verhaal niet voor niets gekozen. Er valt blijkbaar een mooi verhaal over de hoofdpersoon te vertellen. Die heeft iets groots verricht, is getuige van iets belangrijks geweest, of is tragisch ten onder gegaan. De schrijver heeft overzicht over het leven van zijn personage (misschien in tegenstelling tot dat personage zélf), anders was hij niet aan dat boek begonnen.

‘Ieder mens heeft een verhaal, maar niet ieder verhaal is ook een boek,’ schrijft Judith Koelemeijer in de verantwoording bij haar nieuwe boek Anna Boom. De van oorsprong Nederlandse Anna Boom heeft veertig jaar gezwegen over de verschrikkingen die ze tijdens de oorlog in Boedapest heeft meegemaakt als ze op een nacht wakker schrikt uit een nachtmerrie en roept: „Waar is mijn revolver?”

Die zin doet Judith Koelemeijer, die veel succes had met Het Zwijgen van Maria Zachea (2001), besluiten een boek over Anna Boom te schrijven. Ze vertelt het verhaal vanaf Anna’s conceptie tot nu – want Anna leeft nog – en ze doet dat in een vorm die we het best kan omschrijven als een ‘half-roman’. Koelemeijer volgt Anna’s leven op de voet en kiest daarbij voor een soort hinkstapsprong. We vallen telkens met een pakkende beginzin midden in een tafereel: ‘Ze zaten onder de luizen, zoals iedereen’, ‘Boon moest haar komen redden’. En dan wordt ons in korte zinnen verteld waar die luizen vandaan komen en wie Boon is. Dan horen we hoe het afloopt en na een witregel vallen we in een volgend tafereel. Zo krijgen we Anna’s leven chronologisch te zien, als in een diaserie.

Anna’s leven verloopt zeer avontuurlijk. Haar moeder, jong weduwe geworden, trekt met de kleine Anna rusteloos door Europa, van kuuroord naar pension. Als in WO II haar toelage bevroren wordt, gaat ze noodgedwongen terug naar Nederland. Anna, begin twintig, verveelt zich al snel en stapt in 1942 op de trein naar Hongarije, verlangend naar Géza, een oudere, getrouwde minnaar. Haar leven in het geteisterde Boedapest verloopt chaotisch. Ze gaat werken voor de organisatie van Raoul Wallenberg, de Zweedse diplomaat die zich het lot van de joden aantrekt. Ze krijgt andere minnaars. Ze moet vluchten, wordt bijna ter dood gebracht, ondergaat een abortus, ziet gruwelijke misdaden van Duitse en Russische soldaten.

En nu is het vreemde dat het lijkt of er niets gebeurt.

Over het algemeen vormt de wil van de hoofdpersoon de stuwende kracht in een roman. Iemand wil een schat vinden, zijn biologische moeder leren kennen, of zichzelf dood drinken in Oldenzaal. Maar Anna Boom wil niets. Alles overkomt haar. Ze drijft onbewogen op de golven van het leven. Judith Koelemeijer hoedt zich voor een psychologische verklaring, maar suggereert dat de oorzaak van Anna’s wezenloze aard misschien ligt in die jeugd waarin ze zich, door het ontbreken van een thuis, aan niets en niemand kon hechten dan aan haar moeder.

‘Hoe dof en wezenloos, van binnenuit gevoeld, stroomt het leven van de allermeeste mensen voorbij,’ schrijft Schopenhauer. ‘Een mat gehunker en getob, een dromerige duizeling door de vier levenstijdperken heen op de dood af, onder begeleiding van een reeks triviale gedachten.’

Een leven kan zich blijkbaar voltrekken als een avonturenfilm. Maar als de hoofdpersoon niets voelt, kijkt de lezer naar een matglazen ruit.

Uiteindelijk ontwaakt Anna toch nog uit haar halfbewuste staat, en wel als ze, halverwege de veertig, verliefd wordt en gelukkig trouwt. Voor mij komt deze fletse opsomming van gebeurtenissen daar pas tot leven en dat is wel erg laat. Want ook hier luidt de komst van de prins op het witte paard het einde van het verhaal in.

Het duurt nog jaren voor Anna aan haar man begint te vertellen over haar leven in Boedapest. Hij staat paf. Anna zelf eigenlijk ook. ‘Ieder mens was het verhaal dat hij vertelde. Als je veel verzweeg, bestond je eigenlijk ook maar half,’ laat Koelemeijer haar aan het eind van het boek denken.

Dat is een interessante gedachte. Bij mij rees wel de vraag of Anna’s versie van haar leven, zoals minutieus door Koelemeijer opgetekend, de ware is. Zou ze werkelijk zo robotachtig door het leven gegaan zijn als ze zelf gelooft? Of leek het slechts in terugblik zo, omdat het allemaal lang geleden was, en zo bleekjes in vergelijking met haar gelukkige jaren met Jan? Hoe zou het zijn als we wisten dat er aan het eind van ons leven iemand zou komen die alles van ons wilde weten, die elke gemaakte reis zou navolgen en alle brieven met onze naam erin zou uitspellen? Dat is de droom die veel godsdiensten bieden: een doorlopende boekhouding, een afrekening, een erkenning, een beloning of een straf. Maar als dit al bij leven gebeurde? Zouden we dan ‘beter’ leven? Aandachtiger?

En is louter aandacht genoeg om ons leven zin te geven, of moet die aandacht gestoeld zijn op een geleverde prestatie, zoals het schilderen van De Aardappeleters of het bouwen van het Centraal Station? Misschien niet: de mensen die in de Britse tv-serie Seven Up van Michael Apted, om de zeven jaar worden getoond en geïnterviewd, zeggen allemaal dat hun leven alleen al dáárdoor ingrijpend veranderd is.

Anna Boom lijkt niet bijster geïnteresseerd in de aandacht die haar ten deel valt: een optreden bij Karel van de Graaf, een uitnodiging van de minister-president van Hongarije, talloze mensen die haar ondervragen over haar werk voor Wallenberg. Maar ze wil ineens wél weten hoe het afgelopen is met Géza, haar eerste minnaar.

Een halve eeuw later ontmoet ze Géza’s dochter. En Anna Boom, die het grootste deel van haar leven gezwegen heeft, wil nu per se vertellen wat er lang geleden is voorgevallen. Een drang om eindelijk de waarheid te vertellen neemt bezit van haar. Ik denk dat menig romanschrijver en biograaf dáár zou zijn begonnen en het leven van Anna Boom in terugblik verteld zou hebben. Je kunt je ook afvragen of de huidige, chronologische vertelwijze, zonder ‘thema’, het boek niet juist de authenticiteit geeft die velen verlangen.

Toen ik nadacht over wat ik nu eigenlijk vond van Anna Boom, liep ik een vriendin tegen het lijf. Opgewonden greep ze mijn arm. „Wat ik net toch meemaakte! Een stokoud vrouwtje, een gebogen heksje, vroeg me de weg naar de Rijksstraatweg. Ze was op de fiets. Ik zei haar hoe ver dat nog was, rechtdoor en rechtdoor en rechtdoor. Ze stapte weer op haar fiets. ‘Ik moet naar de schoenmaker,’ zei ze. Ik vond het zo ouderwets! De schoenmaker op de Rijksstraatweg.”

Waarom is dit nu zo’n leuk verhaal? Er zit totaal geen pointe in. Maar daaraan voel je nu juist dat het waar is. Elke clou duidt op vormgeving, en vormgeving tast de feitelijke gang van zaken aan. Je voelt dat het zó gegaan is en niet anders. Maar het stapsgewijs volgen van Anna’s avonturen is niet voldoende om leven te blazen in de doodse hoofdpersoon en dus in dit boek. Voor mij was en bleef de hoofdvraag: aan wat voor trauma of depressie lijdt die vrouw toch, en gaat dat ooit nog over? Gelukkig komt er aan het eind een antwoord op die vraag, en dan blijkt het boek meer indruk gemaakt te hebben dan ik eerst dacht. Niet door die revolver, niet door Wallenberg en de minnaars, maar door een gruwelijk inkijkje in een gevaar dat voor iedereen op de loer ligt: ‘een leven dat verglijdt in een dromerige duizeling op de dood af onder begeleiding van triviale gedachten.’