Nog maar 200.000 keer Hiroshima

Wederzijdse afschrikking was lang het mechanisme waarmee nucleaire vernietiging werd voorkomen. Maar werkt dat nog in tijden van individueel terrorisme?

Richard Rhodes: Arsenals of Folly. The Making of the Nuclear Arms Race. Knopf, 386 blz. €33,50

William Langewiesche: The Atomic Bazaar. The Rise of the Nuclear Poor. Penguin Books, 179 blz. €35,–

Michael Levi: On Nuclear Terrorism. Harvard Univ. Press, 210 blz, €17,20

Om te kunnen leven met grote risico’s moet je af en toe kunnen vergeten wat je boven het hoofd hangt – en Ronald Reagan was daar vrij goed in. Hij stond er nooit zo bij stil waar de nucleaire wapenwedloop tussen Amerika en de Sovjet- Unie de wereld mee had opgezadeld.

Toen hij begin 1981 president van de Verenigde Staten werd, was de verwoesting die Amerikaanse atoombommen hadden aangericht in Hiroshima (meer dan 150.000 doden) en Nagasaki (75.000 doden) al ruim 35 jaar geschiedenis. En dus lag hij niet wakker van de duizelingwekkende nucleaire arsenalen die hij en zijn voorgangers aan de ene kant en de Sovjet-leiders aan de andere kant tegen elkaar in stelling hadden gebracht. Halverwege de jaren tachtig waren er zo’n 50.000 kernwapens en kernkoppen in de wereld, met een gecombineerde explosieve kracht van ‘1,5 miljoen Hiroshima’s’. ‘Een paar honderd van die 50.000,’ schreef oud-minister van Defensie Robert McNamara in 1986, ‘zijn al genoeg om niet alleen de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en hun bondgenoten te vernietigen, maar ook het merendeel van de rest van de wereld.’

De ernst van de situatie drong pas goed tot Reagan door toen hij op een ochtend besloot een video te bekijken: de televisiefilm The Day After. De doorgaans opgewekte president raakte er ‘zwaar gedeprimeerd’ van, vertrouwde hij zijn dagboek toe. De film toont de vernietigende gevolgen van een kernoorlog met de Sovjet- Unie voor een rustig universiteitsstadje. De beelden van acteur Jason Roberts, die als plattelandsarts door de radioactieve puinhopen doolt op zoek naar slachtoffers die hij nog kan helpen, maakten op de president een diepe indruk. ‘We moeten al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat er nooit een kernoorlog komt,’ schreef hij in zijn dagboek. En het moet gezegd: hij heeft er zijn best voor gedaan.

De anekdote wordt verteld door Richard Rhodes, in zijn fascinerende geschiedenis van de nucleaire wapenwedloop in de Koude Oorlog, Arsenals of Folly. Het lijkt te simpel om waar te kunnen zijn, maar zó zat Ronald Reagan in elkaar. Niet geïnteresseerd in de complexiteit van de wereld, nauwelijks bekend met de geschiedenis, maar wel ontvankelijk voor de kracht van heldere verhalen. En zo zou deze held van de hardliners steeds vaker gaan spreken over zijn droom van een wereld zonder kernwapens. Veel van zijn eigen medewerkers namen dat niet serieus. Maar uiteindelijk zou Reagan toch belangrijke ontwapeningsakkoorden met Moskou sluiten, die het einde van de wapenwedloop inluidden. Tegenwoordig zijn er nog ‘slechts’ 31.000 kernwapens en kernkoppen in de wereld, met een totale explosieve kracht van 200.000 keer Hiroshima.

Rhodes, die eerder onder meer The Making of the Atomic Bomb schreef en Dark Sun (over de waterstofbom) vertelt met allerlei huiveringwekkende details hoe de twee supermachten elkaar in de decennia na de Tweede Wereldoorlog niet alleen opzweepten tot de opbouw van steeds grotere, levensgevaarlijke arsenalen, maar ook hoe ze herhaaldelijk aan de rand van een kernoorlog kwamen. Weliswaar was een kernoorlog niet te winnen, erkende bijvoorbeeld president Eisenhower (‘Er zijn gewoon niet genoeg bulldozers om de lijken van de straten te schrapen’), maar het was zaak om ‘strategisch overwicht’ te houden en de tegenstander door ‘afschrikking’ af te houden van aan aanval.

Gorbatsjov

De held van het boek is Michail Gorbatsjov, zonder wie Reagans vage dromen nooit tot iets geleid hadden. De ramp met de kerncentrale bij Tsjernobyl, in 1986, zou hèm de ogen hebben geopend voor de waanzin van de op hol geslagen nucleaire bewapening en de gruwelijke gevolgen van een kernoorlog, stelt Rhodes. Bovendien kon de Sovjet-Unie zich de wapenwedloop allang niet meer permitteren. Voor Gorbatsjov lagen zijn binnenlandse hervormingen en het streven naar akkoorden over wapenbeheersing met de VS in elkaars verlengde: in beide gevallen stond de toekomst van zijn land op het spel.

Centraal in de wapenwedloop stond steeds de onzekerheid over de kracht van de tegenstander. En als daar niet voldoende harde feiten over waren, of als die feiten niet verontrustend genoeg waren, dan werd de dreiging voor de zekerheid toch maar zo groot mogelijk voorgesteld. Het is, met de aanloop naar de Irak-oorlog nog vers in het geheugen, adembenemend om te lezen hoe in de jaren zeventig en tachtig in Washington de tegenstanders van wapenbeheersing de dreiging van de Sovjet-Unie systematisch overdreven – en even boeiend is het om te lezen wie dat waren, en hoe ze opereerden.

Richard Perle, Paul Wolfowitz, Donald Rumsfeld en Dick Cheney, alle vier hoofdrolspelers in het Irak-drama, vonden het indertijd onacceptabel dat de CIA niet geloofde dat Moskou voorbereidingen trof om als eerste een kernaanval te kunnen uitvoeren. En dus werd een ‘team B’ in het leven geroepen – van militaire analisten op wier ideologische zuiverheid niets viel aan te merken, maar die over de Sovjet- Unie maar weinig kennis hadden. En zie, team B concludeerde dat de ‘Sovjet-Unie voorbereidingen treft voor een Derde Wereldoorlog alsof die onafwendbaar is’. Zulke grote militaire inspanningen in vredestijd, werd er gewaarschuwd, waren in de 20ste eeuw alleen te vergelijken met wat de nazi’s in de jaren dertig deden – waarbij de eigen, Amerikaanse militaire opbouw voor het gemak maar even buiten beschouwing werd gelaten.

Toen Jimmy Carter president werd, schoof hij het rapport van Team B terzijde. Maar met Reagan keerden de auteurs en hun ideeën weer terug in het Witte Huis. Toch wist Reagan, anders dan George W. Bush in 2003, uiteindelijk weerstand te bieden aan de neocons: zo sloot hij met Gorbatsjov het verdrag voor afschaffing van middellangeafstandsraketten.

De reële dreiging van een kernoorlog tussen de twee supermachten was aanzienlijk groter en afschrikwekkender dan de dreigingen waarover we ons nu zorgen maken, zoals (nucleair) terrorisme, het groeiend aantal landen met kernwapens en de instabiliteit van sommige van die landen. Maar de situatie ten tijde van de Koude Oorlog was wel overzichtelijker, en daardoor was ook duidelijker hoe zij in de hand gehouden kon worden.

Met een reeks journalistieke reportages laat William Langewiesche in The Atomic Bazaar zien hoe de wapenwedloop zich eind vorige eeuw verplaatste naar de Derde Wereld, waar het netwerk van de Pakistaanse atoomgeleerde A.Q Kahn kernwapens binnen bereik bracht van landen als Noord-Korea, Libië en Iran. Ook beschrijft hij hoe in de voormalige Sovjet-Unie de bescherming van nucleair materiaal nog altijd gebrekkig is, waardoor terroristen er mee aan de haal zouden kunnen gaan.

Dat is allemaal zorgwekkend, en Langewiesche laat goed zien hoe ongrijpbaar de nieuwe nucleaire dreiging is geworden (terwijl de oude wel is verminderd, maar niet verdwenen). Maar hoe groot die nieuwe dreiging nu eigenlijk is, blijft onduidelijk. Arme landen zullen kernwapens eerder inzetten dan de grootmachten, beweert Langewiesche. En hij noemt het ‘heel wel mogelijk’ dat ‘één of twee kernwapens in handen vallen van de nieuwe statenloze guerrillastrijders, jihadisten’, die niet gevoelig zouden zijn voor afschrikking – terwijl afschrikking een van de principes was waarop decennialang de nucleaire vrede is bewaard.

Obstakels

Maar zijn alarmerende beweringen onderbouwt Langewiesche nauwelijks. Veel nuchterder is On Nuclear Terrorism van Michael Levi, van de Amerikaanse Council on Foreign Relations. Levi laat zien dat het ontstaan van nucleair terrorisme een reële mogelijkheid is. Maar hij legt ook glashelder uit welke praktische obstakels een terrorist op zijn weg zou vinden en op wat voor manier zijn kansen op succes kleiner gemaakt kunnen worden.

We moeten ons niet blind staren op worst case scenarios, zegt Levi. Terroristen zijn ook maar mensen, die soms fouten maken en pech hebben. Terreurbestrijders moeten daarop inspelen: de kans op een geslaagde aanslag kunnen ze nooit elimineren, maar met allerlei bescheiden maatregelen kunnen ze dat risico wel kleiner maken. Als een terrorist tien stappen moet doorlopen voor hij kan toeslaan, kan er tien keer iets misgaan. Als je de kans op succes bij iedere stap weet terug te brengen, aldus Levi, verkleint dat de uiteindelijke kans op een aanslag aanzienlijk. Zoek dus niet naar hét wondermiddel tegen nucleaire terreur, wees realistisch over je eigen mogelijkheden en die van de terrorist.

Het boek lijkt daardoor wat op een handboek voor bestrijders van nucleaire terreur en beleidsmakers. In zijn voorwoord erkent Levi trouwens dat hij wel enige zelfcensuur heeft uitgeoefend, om te voorkomen dat hij potentiële terroristen helpt met zijn beschouwing over de mogelijkheden van nucleaire terreur. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn, want, zegt Levi terecht, ongeacht hoeveel slachtoffers er bij vallen, een nucleaire terreuraanslag zal verregaande maatschappelijke, politieke en strategische gevolgen hebben.