Museumdirecteuren vrezen verhuizing

Waar winden stedelingen zich over op? In Arnhem verzetten kunstkenners zich tegen de verhuizing van het fraai gelegen museum voor moderne kunst.

Rijnzicht vanuit het museum Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold arnhem museum met uitzicht foto rien zilvold Zilvold, Rien

Een groep prominente kunstliefhebbers heeft „met ontsteltenis” kennisgenomen van gevorderde plannen van de gemeente Arnhem om het Museum voor Moderne Kunst over zes jaar te sluiten en te verplaatsen naar de nog uit te graven nieuwe haven, het zogenoemde Rijnbooggebied. Daar ligt het museum in het hart van wat het ‘kunstencluster’ moet worden. En daar zal het museum samenwerken met filmhuis en theater, zodat meer en jongere bezoekers zullen genieten van de collectie, vooral bekend om haar realistische schilderkunst.

Wethouder Rita Weeda (PvdA) beschreef onlangs wat de bezoeker in 2014 te wachten staat. „U weet niet waar het museum begint en eindigt, want u waant zich in een productie- en presentatiehuis. Misschien verzucht u: het lijkt wel een theatraal museum. Dan zeg ik u alvast: daar heeft u nou helemaal gelijk in.”

Interim-directeur Marco Grob van het museum kan zich wel vinden in een verplaatsing. „We zitten hier in een mooi gebouw, met uitzicht over de Rijn. Ik kan de sentimenten over deze mooie plek heel goed begrijpen. Maar het gebouw heeft ook veel beperkingen. Het is lastig om hier meer publiek te trekken. We liggen enigszins uit de route die veel bezoekers van de stad geneigd zijn te nemen. Het is ingewikkeld om hier meer ruimte te krijgen voor tentoonstellingen. Straks kunnen we naast ons eigen tentoonstellingsprogramma samen met de andere instellingen activiteiten organiseren, zoals festivals. Dus als er politiek draagvlak komt om fors te investeren in een groter gebouw en in tentoonstellingsbudgetten in Rijnboog, dan moeten we die kansen grijpen.”

De prominenten gruwen er van. Om te beginnen is de huidige locatie „uniek”, zegt Liesbeth Brandt Corstius, die van 1982 tot 2000 directeur was van het museum. „Zoiets vind je in Nederland nergens.” Onder haar aanvoering werd een open brief geschreven om de gemeenteraad op andere gedachten te brengen. Tot de ondertekenaars behoren museum-cracks als Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum, en Sjarel Ex, directeur van Boijmans van Beuningen, alsmede beeldend kunstenaars als Klaas Gubbels en Arno Arts, musicus Pierre Courbois en de schrijvers Jan Siebelink, Thomas Verbogt en Koos van Zomeren. In de open brief heet het huidige museum een genius loci te hebben, want het is gelegen „op een van de meest inspirerende hellingen van het Veluwemassief”. Daar zal de nieuwe locatie niet aan kunnen tippen, vermoeden ze.

De tegenstanders verwachten ook weinig van de „synergie” die van het toekomstige kunstencluster moet uitgaan. Het „heilig geloof” van de voorstanders in deze synergie „is op weinig meer gebaseerd dan onverteerbare cultuursociologische bespiegelingen”, aldus de brief. „De mythe van de synergie komt voort uit de oprukkende managementcultuur, als onvermijdelijk antwoord op het kennelijk onvermogen om autonome groei en ontwikkeling van zelfstandige organisaties te bevorderen.”

Liesbeth Brandt Corstius: „Het zijn megalomane, vreemde plannen. Er wordt gesproken over cross-overs en over de functie van het cluster als koffieautomaat van de stad. Het lijkt wel alsof de plannenmakers zélf kunstenaars zijn, in plaats van dat zij de kunst serieus nemen.” De voormalige directeur heeft een beter idee: trek een oud plan van architect Hubert-Jan Henket uit de la en ga verbouwen en uitbreiden. „Dat is ook goedkoper”, zegt ze. „Er wordt in het kunstencluster 80 miljoen euro geïnvesteerd. Dat zijn enorme bedragen, die uiteindelijk ten laste zullen komen van de exploitatie van onder meer het museum. Daardoor gaan de tentoonstellingsbudgetten omlaag, en blijft er voor de kunst zélf minder over.”

Wethouder Rita Weeda (PvdA) is teleurgesteld over de aantijgingen. „In de kunst is kennelijk net als in de liefde alles geoorloofd.” Ze somt de voordelen van een verhuizing op. Een plaats middenin het centrum van de stad. Meer vierkante meters museum. Meer mogelijkheden om samen te werken. Meer jonge bezoekers. Rita Weeda: „Wij hebben dit als gemeente niet opgelegd. De instellingen willen dit zelf graag. Ze zijn enthousiast. Bouwen op de huidige plaats is heel moeilijk, want het museum ligt op een zeer kwetsbare steilrand. Het zou ook niet goedkoper zijn. Als er nu ineens een groep mensen is die vast wil houden aan de oude plek, dan zeg ik: het ontbreekt je aan verbeeldingskracht.”