Loslippigheid

Zelden waren we zó actueel zonder het zelf te beseffen. Daags na de ‘bekentenis’ van Joran van der Sloot in de zaak-Holloway, kwamen we in de maandagserie ik krijg altijd gelijk op deze pagina met een column over de overtuigingskracht van ‘ja’ in woord en gebaar. Een oplettende bezoeker van de website zag in de geschetste technieken een verklaring voor Van der Sloots loslippigheid.

Patrick van der Eem, de man die voor de gelegenheid de rol van undercoverjournalist vertolkte, zou zich al dan niet listig hebben bediend van de ‘ja-ladder’: het stellen van een reeks vragen waarvan je weet dat de ander ze bevestigend zal beantwoorden, met als doel hem ook de uiteindelijke conclusie van de vragenreeks te doen onderschrijven. ‘In mijn herinnering stelde Patrick inderdaad een hele reeks ja-vragen, voorafgaand aan de bekentenissen van Joran. Of hij daarbij knikte weet ik niet, zou ik terug moeten zien.’

Patrick knikte inderdaad, en dat is van belang omdat deze vorm van lichaamstaal je woorden extra kracht meegeeft. Maar daarbij moet je er natuurlijk wel zeker van zijn dat degene met wie je praat jouw begrippenkader deelt. In het onderhavige geval ging het goed, maar een andere bezoeker van de site waarschuwde er terecht voor dat lichaamstaal tot veel interculturele verwarring kan leiden.

‘Enkele jaren geleden is er een seminar-bijeenkomst geweest tussen een groep Nederlanders en een groep Chinezen. De voorzitter van de Nederlandse delegatie kon het maar niet nalaten om veelvuldig ja te knikken tijdens de eerste presentaties. Dit bracht de voorzitter van de Chinese delegatie tot het verzoek om een break waarin hij bezorgd informeerde of het met de gezondheid van zijn Nederlandse tegenvoeter wel goed was. Het duurde even voordat duidelijk werd dat die bezorgdheid was opgeroepen door het ja-knikken.’

In Bulgarije staat hoofdschudden trouwens voor ‘ja’. Dus mocht je ooit een Bulgaar willen overtuigen…