Liefde voor jazzsaxofoon

cd jazz L’Histoire du Saxophone Jazz. (1923 –1956): samenstelling André Francis en Jean Schwarz ****-

cd jazz

L’Histoire du Saxophone Jazz. (1923 –1956): samenstelling André Francis en Jean Schwarz

De saxofoon is het symbool van de jazz. De Belg Adolphe Sax die het instrument rond 1840 uitvond had het niet zo bedoeld, maar ondanks het enthousiasme van componist Hector Berlioz duurde het tot begin jaren ’20 van de vorige eeuw dat de saxofoon ‘sexy’ werd – dankzij de opkomende jazzmuziek.

Er zijn sindsdien talloze overzichten uitgebracht met het woord saxofoon in de titel maar nooit zo ruim opgezet als nu door André Francis en Jean Schwarz: tien schijfjes met ruim dertien uur muziek verdeeld over 203 stukken. Van de krachtige lead van Sidney Bechet op de sopraan in ‘Wild Cat Blues’ uit 1923 tot de knorrende bariton van Pepper Adams in ‘Tricotism’ uit 1956 is het genieten geblazen voor iedereen die de jazzsaxofoon bemint.

Dat de selectie in dat jaar ophoudt heeft te maken met het feit dat de rechten op reproductie na vijftig jaar vervallen, waardoor men pas dan legaal kan plukken.

Deze beperking heeft tot gevolg dat de luisteraar niets te weten komt over de saxofonistische escapades van Albert Ayler of John Zorn, om maar enkele nieuwlichters te noemen. Ook wat de saxofoontypen betreft zijn er beperkingen; een sopranino is niet te horen en dat geldt ook voor de net zo zeldzame contrabassaxofoon. Die laatste omissies zijn begrijpelijk maar niet het ontbreken van de bassaxofoon die in het bestreken tijdvak veelvuldig tot klinken werd gebracht door de eminente Adrian Rollini. Iemand anders die onverklaarbaar ontbreekt is de Zweedse baritonspeler Lars Gullin, die meer in zijn mars had dan de vals spelende Leo Parker en de terecht obscure Virgil Gonzalves, die wel door de selectie kwamen. Merkwaardig is dat Frankie Trumbauer tot de altisten wordt gerekend terwijl de door hem bespeelde C-melody sax slechts één toon hoger staat dan de tenor.

Behalve op de prachtige saxofoonsecties van sommige orkesten, met name die van Benny Carter en Duke Ellington, ligt de klemtoon in deze box bij de alt- en tenorsaxofoon en dat is terecht, want op die twee varianten werd de meeste jazz gemaakt. Helden als ‘Bean’, ‘Bird’, ‘Prez’ en ‘Trane’ zijn al lang overleden maar sommige musici uit deze historische box spelen nog steeds of hun leven er van afhangt. Zoals de altisten Lee Konitz en Bud Shank en de tenoristen James Moody en Sonny Rollins, die beiden vorig jaar nog in het Amsterdamse Concertgebouw stonden.

Jazzfans die verslaafd zijn aan een andere ambitie van Francis en Schwarz – het presenteren van de jazzhistorie van dag tot dag – moeten wel bedacht zijn op overlapping. Wie hun jazzoverzichten 1953-’55 in de kast heeft staan, haalt zich door de aanschaf van deze box minstens elf doublures in huis, waaronder drie van Sonny Rollins.

Het bij de cd’s gevoegde boekje van 56 pagina’s bevat de belangrijkste opname-gegevens en een alfabetische lijst van alle saxofonisten, maar afgezien van de alt op voorkant helaas geen foto’s van de diverse typen saxofoons. Dat is jammer voor beginnende fans en postuum ook voor Adolphe Sax die terecht een standbeeld in Dinant kreeg en daarnaast jarenlang prijkte op het bankbiljet van 200 Belgische franken.