Kunstenaar tussen de burgermannen

Heeft Thomas Mann in Felix Krull een portret van zichzelf geschetst? De hoofdpersoon is in elk geval een kunstenaar die het moeilijk heeft in een wereld van burgermannen.

Lees de roman en discussieer mee op nrc.nl/leesclub.

Laatst zag ik, eigenlijk voor het eerst, bewegende beelden van Thomas Mann. De ongeveer zeventig jaar oude schrijver declameerde voor de televisiecamera een tekst die ik me nu al niet meer kan herinneren. Want het was de persoon van de auteur, gestorven in 1955, die alle ruimte in mijn geheugen voor zich opeiste. Wat een zelfingenomen kwast, wat een hoogduitse burgerman, wat een getrimde ijdeltuit. Welk een toneelspeler – oude stempel, dat wel – was er aan hem verloren gegaan!

Plotseling begreep ik waarom Manns laatste roman, Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull, door zoveel literaire analisten als een verholen autobiografie wordt beschouwd. Toen ik de fictieve memoires voor het eerst las, had ik dat nooit zo gezien. Felix Krull is een boek over een flierefluiter, een onbezorgde crimineel, en niet over een deftige schrijver die terugkijkt op een leven van succes, ballingschap en hernieuwd succes. Maar bij een tweede lezing blijkt de ikfiguur nogal wat weg te hebben van zijn schepper. Niet alleen is hij van zichzelf vervuld en zwelgt hij in zijn eigen goede smaak, ook deelt hij met Thomas Mann een lichte fatterigheid, een minachting voor de gewone man en een voorliefde voor cryptohomoseksuele genoegens. Bovendien belichaamt Felix de kunstenaar die het volgens Mann zo moeilijk heeft in een wereld van burgermannen.

Felix is een man die – net als zijn vader, de goedkope sekt-handelaar – het publiek geeft ‘waaraan het gelooft.’ Hij is een geboren toneelspeler, en zijn meest indringende ervaring als jongetje is dan ook wanneer hij wordt meegenomen naar het theater, ‘een tempel van genoegen, een plaats waar op stichting beluste mensen, in het duister geconfronteerd met sferen van helderheid en volmaaktheid, met open mond konden opzien tegen de idealen van hun hart’ (blz. 28). Eigenlijk is de belangrijkste les die hij uit het uitstapje trekt hoe graag de mensheid bedrogen wil worden. Want de sjieke zanger die de hoofdrol speelt, blijkt achter de schermen een groezelig en pokdalig individu. En niemand lijkt dat erg te vinden.

‘Wie werkelijk van de wereld houdt, die geeft zichzelf een aantrekkelijke vorm,’ luidt de les die Felix leert; en zo schept hij zichzelf een persona: Felix Krull wordt de man van de wereld, die aanvankelijk zijn gebrek aan geld maskeert met stijl en panache, en die met kameleontisch talent al gauw in de huid kruipt van (en van identiteit ruilt met) een rijke markies die door zijn bezorgde ouders verplicht op wereldreis is gestuurd. Maar niet voordat hij als liftboy in een hotel en als toeschouwer in een circus (twee episodes die herinneren aan de roman Amerika van Thomas Manns voorbeeld Franz Kafka) nog eens ten overvloede is geconfronteerd met de verhouding tussen schijn en werkelijkheid. Felix begint zijn carrière met ‘een soort dubbelleven, dat de charme had dat het onzeker bleef in welke gedaante ik eigenlijk mezelf was en wanneer ik alleen maar verkleed was’ (blz. 237).

Felix heeft de mond vol over zijn talent, dat er vooral in bestaat dat hij anderen kan doen geloven dat hij beter, knapper, rijker, aardiger is dan hij in werkelijkheid is (‘Wat blijft er van het leven over en van de vreugde die het leven de moeite waard maakt, als de schijn en de zinnenstrelende oppervlakte niet meer meetellen?’, blz. 367). Het is duidelijk dat Mann in hem een kunstenaar ziet die zichzelf telkens opnieuw uitvindt en die daarom niet bepaald wordt gewaardeerd in de burgermaatschappij waarin hij moet opereren. Is het raar om te concluderen dat hij in Felix een alter ego zag, namelijk als het archetype van de gewantrouwde artiest? Niet echt als je bedenkt dat de getroebleerde verhouding tussen de kunstenaar en de gewone burger ook al het belangrijkste thema was van Tonio Kröger en De dood in Venetië – novellen die ontstonden in de tijd (het eerste decennium van de 20ste eeuw) dat ook de basis werd gelegd voor het uiteindelijk in 1954 verschenen Felix Krull.

Hoeveel Thomas Mann valt er te ontdekken in Felix Krull? Geeft het de roman een meerwaarde als je, zoals veel critici in het verleden, naar parallellen gaat zoeken met het leven en het karakter van de auteur? Felix Krull zou zeggen van niet. ‘Ik [heb] altijd mensen veracht die geloofden dat zij alles van mij afwisten,’ zegt hij halverwege zijn ontboezemingen. Hij zou er meer in zien om de roman te beschouwen als onderdeel van de ijzeren traditie van de Europese schelmenroman – een amalgaam van Jacques de fatalist en zijn meester (Diderot), Dode zielen (Gogol) en Tijl Uilenspiegel (Charles De Coster), en een bron van inspiratie voor Marek van der Jagts Gstaad 95-98.

Thomas Mann: Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull. Vert. Dirk Salomons. Verkrijgbaar via nrc.nl/webshop.Volgende week Elsbeth Etty over de stijl van Thomas Mann.

Dit is de tweede aflevering in de discussie over ‘Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull’ van Thomas Mann. Discussieer mee via www.nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. Meer informatie is te vinden op www.the-ledge.nl, die met de Leesclub samenwerkt.

PROGRAMMA: Een man wordt ouder (Italo Svevo, jan.) - Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull (Thomas Mann, febr.)- Alexis / Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) - Huwelijksverhalen (August Strindberg, april) - Pnin (Vladimir Nabokov, mei)