Kind lijdt meer onder ruzie dan onder scheiding

Het aantal samenwonende stellen dat uit elkaar gaat, groeit gestaag. Vaak hebben ze kinderen. Die lijden het ergst als hun ouders ruziën. „Het is niet zo dat je niks aan ruzie kunt doen.”

Nederlanders gaan steeds vaker scheiden, al heet het meestal geen echtscheiding omdat men samenwoont in allerlei varianten. Oorzaken zijn grote maatschappelijke thema’s als secularisering, emancipatie, economische ontwikkeling en de behoefte aan zelfontplooiing. Gevolg is dat steeds meer kinderen meemaken dat hun ouders uit elkaar gaan: 57.000 kinderen per jaar en 13.000 die boven de achttien zijn maar nog thuis wonen. Nederland zit in de middenmoot in het Westen – in Zweden en de Verenigde Staten gaan meer ouders uit elkaar.

Hun welzijn, zegt de Utrechtse socioloog Ed Spruijt, „wordt bepaald door de mate waarin ouders ruzie hebben, voor tijdens en na de scheiding”. In het boek Scheidingskinderen, dat eind 2007 verscheen, beschrijft Spruijt de resultaten van 150 tussen 2001 en 2006 verschenen artikelen en onderzoeken over het welzijn van scheidingskinderen. Veelal werd kinderen gevraagd een cijfer te geven voor hun depressieve gevoelens, angst, agressie en delinquentie.

De minste problemen hebben kinderen met ouders die bij elkaar zijn en weinig ruziën. Zij worden gevolgd door kinderen met gescheiden ouders die weinig ruziën. Meer last hebben kinderen met ouders die bij elkaar blijven maar veel ruziën en het ergst lijden kinderen wier ouders gescheiden zijn en veel ruziën.

Het lijkt dus meer de mate van ruzie te zijn die bepalend is, dan de scheiding zelf. Dit verklaart mogelijk de groei van twee groepen scheidende ouders: aan de ene kant steeds meer gescheiden ‘co-ouders’, die in goed overleg de opvoeding delen. Hun aantal is in zes jaar verdrievoudigd tot 15 procent. Aan de andere kant groeit het aantal ouders dat zó’n ruzie maakt dat de Kinderbescherming de rechter adviseert de vader helemaal niet meer met de kinderen te laten omgaan (40 procent van alle zaken die voor de rechter komen).

De eerste groep probeert het loyaliteitsconflict van hun kinderen (kies ik voor mijn vader of voor mijn moeder?) te voorkomen, de tweede groep maakt er juist misbruik van. Paul de Gier, bestuurslid van de vereniging van advocaten/scheidingsbemiddelaars, ziet vaak dat ouders hun kinderen dan inzetten als drukmiddel. De Gier: „Afspraken over de kinderen timmeren we altijd het eerste dicht, zodat die geen obstakel meer kunnen vormen. Anders zegt moeder: je betaalt niet voor de kinderen dus je mag ze niet zien. Ik heb rechters horen zeggen: mevrouw, alimentatie is geen kijkgeld.”

Ruziënde ouders kunnen hun relatie als ex-partners niet onderscheiden van hun rol als ouder, zegt hij. „Als de man vreemdging of haar sloeg of kleineerde, dan vindt de vrouw hem op een goed moment echt een slechte man. Maar maakt dat hem een slechte vader? Dat hoeft niet. Dat leg ik cliënten elke keer opnieuw uit.”

De moeilijkste periode voor alle scheidingskinderen is die rond de scheiding zelf, zegt Ed Spruijt. „Ten eerste vertrekt een ouder, die ze missen. Soms moet een kind zelf verhuizen, waardoor hij zijn vrienden en school moet achterlaten. En vaak worden de ouders in beslag genomen door hun problemen, waardoor ze weinig aandacht hebben voor hun kind. Meestal is er ook minder geld voor kleren of speelgoed.”

Maar op de langere termijn gaat het met de meeste scheidingskinderen beter. Dat wil zeggen: met tweederde van hen. Zo’n 30 procent van de scheidingskinderen ‘scoort’ de rest van hun leven hoog op depressie, angst en relatieproblemen (ter vergelijking: 15 procent van de kinderen uit intacte gezinnen krijgt die problemen).

Voor alle scheidingskinderen geldt dat zij later twee keer zo vaak scheiden als kinderen van wie de ouders bij elkaar zijn gebleven. Ze hebben, zegt Spruijt, „nu eenmaal niet dat vanzelfsprekende, ingebakken voorbeeld meegekregen van een huwelijk dat dag in dag uit redelijk ging”.

Hij pleit dan ook voor preventie: „Soms is een scheiding onvermijdelijk. Maar het is niet zo dat je niks aan ruzies kunt doen. Conflicten beheersen kun je leren. Het liefst als je nog bij elkaar bent. Dan hoef je misschien niet te scheiden.”

Volwassenen onderschatten de gevolgen van echtscheiding voor kinderen en doen te weinig om die te verzachten, vindt Spruijt. „Juristen bepleiten minder overheidsbemoeienis bij scheiding terwijl de Kamer juist meer eisen gaat stellen aan scheidende ouders. Dat laatste vind ik goed. Kinderen moeten beschermd worden.”