Is het een roman? Is het een film? Nee, het is een strip!

De longlist van de Librisprijs bewijst dat ook in Nederland de ‘graphic novel’ volwassen is geworden. Maar de liefde waarmee de literaire wereld zich op de strip gooit, maakt blind, helaas.

WAAARGH! OEMPFFFF! Voor het eerst in de geschiedenis staat een stripboek op de longlist van de Libris Literatuur Prijs. Verder van Marc Legendre maakt kans op de vijftigduizend euro die vorig jaar nog naar Arnon Grunberg ging voor een boek met enkel woorden: Tirza.

Een jury die een stripboek nomineert voor een literaire prijs, is dat ooit eerder gebeurd? Niet in Nederland, maar wereldwijd komt het vaker voor. En het blijft niet altijd bij een nominatie. In mei vorig jaar ontving de Australische striptekenaar Shaun Tan een literaire prijs van 15.000 Australische dollar (ruim 9000 euro) voor een stripboek dat geen woorden bevatte. The Arrival, gaat, wat abstract geformuleerd, over de reis van een immigrant en Tan vertelt het verhaal in zeer gedetailleerde tekeningen, opgebouwd uit grijstinten.

Voor Jimmy Corrigan: the Smartest Kid on Earth, een oogstrelend epos over een ongelukkige man, ontving Chris Ware in 2001 al de Guardian First Book Award, groot 10.000 pond. En Maus: A Survivor’s Tale van Art Spiegelman, werd in 1992 beloond met een Pulitzer Prize (10.000 dollar). The New York Times schreef toen: ‘De juryleden vonden, net als eerder de recensenten en de boekhandelaren, de wijze waarop de tekenaar nazi-Duitsland in beeld brengt moeilijk te categoriseren.’

Een begrijpelijke gedachte: je wilt een prijs geven, maar het prijzenswaardige object onttrekt zich aan de bestaande categorieën. Het werd een ‘special award’ voor Spiegelmans dierenfabel over de holocaust.

Dat nu ook in Nederland een strip op de (weliswaar) longlist van een literaire prijs staat, komt waarschijnlijk vooral doordat de instanties die boeken voor literaire prijzen insturen – de Nederlandse literaire uitgeverijen – zich sinds een jaar of vijf steeds meer zijn gaan interesseren voor strips. Uitgeefhuizen als Atlas, Podium, Nijgh & Van Ditmar en Cargo (een imprint van De Bezige Bij) begonnen voorzichtig met herdrukken van klassiekers, zoals de graphic novels van Will Eisner (Atlas) en met nieuw werk dat zich in het buitenland had bewezen, zoals Persepolis (Atlas), waarin Marjane Satrapi haar jeugd in Iran onder het islamitische bewind beschrijft.

Er verschenen meer autobiografische strips: Kraut van Peter Pontiac (Podium) – over zijn verdwenen, ‘foute’ vader –, Chemogirl van Marisa Acocella Marchetto (Cargo) – over borstkanker – en Je geld of je leven van Barbara Stok (Nijgh & Van Ditmar) – over een burn-out. Tel hierbij op de steeds bredere fondsen van specialistische uitgeverijen als Hansje Joustra’s Oog & Blik, De Harmonie en Xtra, en je kunt zeggen dat het volwassen stripverhaal in Nederland... volwassen is. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de tentoonstelling Strip en kunst die gisteren opende in het Larense Singermuseum. En de boekhandels dragen hun steentje bij: Selexyz Amsterdam heeft sinds kort een aparte ruimte voor de serieuze strip. Goed nieuws voor de liefhebbers van het genre, toch?

Nee, niet helemaal. De liefde waarmee met name de literaire wereld zich op de strip heeft gegooid, heeft blind gemaakt. Als gevolg hiervan zijn er twee belangrijke misvattingen ontstaan. De eerste misvatting komt onder meer tot uiting in de recente nominatie van een stripboek voor de Libris Literatuur Prijs. Hoe goed de jury het ook heeft bedoeld, zij toont hiermee juist aan dat het genre strips door de literaire wereld in Nederland fundamenteel verkeerd wordt benaderd.

De ‘strip’, althans, de ‘volwassen’, literaire variant daarvan – die wat omvang betreft meer wegheeft van een roman (klein, dik) dan van een album (groot, dun) – wordt door zo’n nominatie onder hetzelfde kopje geplaatst als de roman. Nu is een strip ontegenzeggelijk een verhaal in een boek. Maar verder gaat de vergelijking met de roman mank. Een strip is net zo min een roman als een fotoboek dat is, of een biografie van Malcolm X.

Maar als een strip geen roman is, wat is het dan wel? Kan een strip ‘literair’ gezien iets anders bieden dan een boek met uitsluitend tekst, of gaat er alleen maar nuance verloren? Voegen beelden iets toe, of belemmeren ze juist de fantasie van de lezer? Met die laatste vraag komen we bij de tweede misvatting die de afgelopen jaren een helder zicht op de strip heeft ontnomen, en dat is het idee dat een ‘literaire strip’ gelijk staat aan een ‘verstripping’.

Bij een verstripping worden (vaak klassieke) verhalen uit de wereldliteratuur in stripvorm gegoten. Een paar voorbeelden: de toneelstukken van Shakespeare worden momenteel, met behoud van de integrale originele tekst, in stripvorm uitgegeven. Eerder maakte Dick Matena onder meer een stripversie van Gerard Reves De avonden.

De verstrippingen van Matena zijn geen ‘literaire strips’, maar ze laten wel zien dat het creëren van beelden bij de tekst het verhaal van De avonden onherroepelijk verandert. Dat geldt voor iemand die Matena’s tekeningen heeft gezien net zo goed als voor iemand die acteur Thom Hoffman in de boekverfilming heeft gezien. Om het verschil tussen kale tekst en beeldverhaal scherper te zien, moet de taal van beelden beter worden bekeken.

Strips bestaan al ruim een eeuw, en in die tijd heeft het genre een eigen vocabulaire ontwikkeld. Zoals de tekstballonnen (de gebobbelde ballonnen zijn gedachten), de omkaderde plaatjes (de gebobbelde zijn flashbacks of dromen) en natuurlijk: de reeks plaatjes (the strip). Zo’n reeks plaatjes toont aan dat strips, in de woorden van Will Eisner, ‘sequentiële kunst’ zijn. Ieder plaatje toont een momentopname en de lezer wordt gedwongen om verbanden tussen die plaatjes te leggen. De incomplete visuele informatie moet in het hoofd van de lezer tot een geheel worden gevormd.

En ziedaar: het speelveld van de stripauteur. Hoe minder duidelijk het verband tussen de verschillende plaatjes, hoe meer er van de lezer wordt verwacht. De spanning zit vooral in de ruimtes tussen de plaatjes. Een strip die op die wijze veel van je verbeelding eist, kun je een ‘literaire strip’ noemen.

Toen Will Eisner in 1978 A Contract with God uitbracht – een bundeling van de eerste literaire stripverhalen – liet hij op de cover de tekst ‘a graphic novel’ plaatsen. Eisner pionierde en bracht Art Spiegelman op het idee voor zijn baanbrekende werk Maus. Chris Ware liet zich op zijn beurt inspireren door Spiegelman en gaf het genre een nieuw gezicht, en vooral: nieuwe beoefenaars. Steeds meer tekenaars worden aangetrokken: was Will Eisner nog de beste in zijn eentje, Chris Ware is inmiddels de beste van vele honderden tekenaars wereldwijd.

Er is overigens nog één overeenkomst tussen de strip en de roman: zowel tekenaars als romanciers leveren in hun debuut vaak een – niet altijd even interessant – gevecht met hun jeugd. Twee recente publicaties in de autobiohoek vallen in positieve zin op: in Het jaar van de Olifant beschrijft Urbanus-tekenaar Willy Linthout zijn leven nadat zijn zoon zelfmoord heeft gepleegd. Linthout gebruikt dezelfde tekenstijl als in zijn komische Urbanus-strip, waardoor het geheel iets extra schrijnends krijgt. In De maagd en de neger verbeeldt debutante Judith Vanistendael emoties met zoveel flair dat ze op dat vlak in één klap toonaangevend genoemd mag worden. Vanistendael laat in zowel tekening als tekst zien hoe de vader en dochter uit het verhaal elkaar schuchter en met omzichtige bewegingen benaderen.

Een mooi Nederlands voorbeeld van een originele scenarist is Guido van Driel. Hij maakte literaire strips, onder meer over een hoerenlopende saxofoonreparateur (De fijnproever – een raamvertelling) en een Angolese asielzoeker (Om mekaar in Dokkum). Bij deze rijkdom aan onderwerpen komt nog dat Van Driel in een volstrekt unieke stijl tekent, nee, verft, met acryl op zwart papier, waardoor niet het wit maar het zwart door elke tekening ademt.

Om een literaire strip goed te kunnen beoordelen is het verstandig om leentjebuur te spelen bij zowel de filmkritiek als de literaire kritiek. Een literaire strip kun je beoordelen op zijn scenario, op het decor, op de cameravoering, maar ook op de kwaliteit van het taalgebruik, op de gelaagdheid, de complexiteit. Het lezerspotentieel is groot. Mensen die van romans en poëzie houden, maar die ook met visuele esthetiek verleid kunnen worden, zullen de ‘literaire strip’ als een waardevolle aanvulling zien op het ‘literaire boek’ en de ‘literaire film’. En omdat de literaire strip ergens tussen de roman en de film in hoort, is een nominatie voor een literaire prijs dus eigenlijk net zo vreemd als een nominatie voor een filmprijs. De oplossing van dit probleem is eenvoudig: ieder jaar een serieuze prijs uitreiken voor de beste literaire strip.

Toen dichteres Marjoleine de Vos een paar jaar terug voor het eerst het werk van Marjane Satrapi onder ogen kreeg (Cultureel Supplement, 29.08.03), botste ze op haar eigen vooroordelen over strips en definieerde ze de literaire strip als volgt: ‘Deze boeken bevatten niet voortdurend tekstballonnen waarin heel groot WAAARGH staat of OEMPFFFF.’ En zo is het maar net.

Marc Legendre, ‘Verder’, Atlas, 192 blz, € 24,90.De tentoonstelling ‘Strip en kunst’ is tot en met 27 april te zien in Singer Laren. Meer informatie: www.stripenkunst.nl