‘Ik leef nog, dus ik schrijf’

Je debuut is zo slecht, met jou zal het nooit iets worden, hoorde Antonio Lobo Antunes van zijn moeder. Inmiddels is de Portugees een wereldberoemd auteur. „Erkenning maakt me nerveus.”

Hij zit binnen aan tafel met zijn jas aan, de schouders opgetrokken, half weggedoken in zijn kraag, en zoekt houvast bij een sigaret. Eigenlijk zou hij niet meer moeten roken nadat hij vorig jaar aan kanker is geopereerd, maar hij kan het niet laten. Met zichtbare tegenzin keert hij me zijn linkeroor toe; aan zijn rechterkant is hij tijdens de oorlog in Angola gedeeltelijk doof geworden. Met zijn blauwe ogen – een erfenis van zijn Duitse grootmoeder – kijkt Antonio Lobo Antunes (1942) me stug aan. Nee, hij houdt niet van interviews. „Ik ben geen prater, ik ben een schrijver. Ik heb niets interessants te melden over mijn werk. Ik zou liever hebben dat mijn boeken anoniem gepubliceerd werden. Net als Walt Whitman verlang ik er soms naar een aap te zijn: They do not make me sick discussing their duty to God.” Zijn gezicht ontspant zich in een brede grijns.

Als hij dan toch moet praten, dan bij voorkeur ononderbroken, net als in zijn boeken, waarin gedesillusioneerde personages voortdurend monologen houden, dwars door en langs elkaar heen. Nooit komt het tot een echt gesprek, waarbij mensen elkaar verstaan. Lobo Antunes dompelt je onder in een zee van stemmen die je genadeloos onderuit halen en je, snakkend naar adem, gedesoriënteerd achterlaten. Je kunt niet anders dan je laten meeslepen door de gewelddadige kracht, het golvende ritme en de zuigende onderstroom van dood en onvervuld verlangen. En dan bedient hij zich ook nog eens van een slapstickachtige humor en van metaforen die de eenzaamheid en wanhoop van zijn personages weergaloos treffend uitbeelden. Hij publiceerde twintig romans, waarvan er vier leverbaar zijn in een schitterende Nederlandse vertaling door Harrie Lemmens. De laatste daarvan is Fado Alexandrino, waarin vijf militairen die tien jaar eerder in de onafhankelijkheidsoorlog in Mozambique hebben gevochten, elkaar tijdens een drankovergoten avond vertellen over hun leven.

De verwoestende invloed van de koloniale oorlogen speelt in zijn hele oeuvre een rol, evenals de langdurige dictatuur van Salazar en Caetano, en de Anjerrevolutie die in 1974 aan dit alles een einde maakte, maar Portugal in grote verwarring achterliet. De censuur sloeg diepe gaten in het culturele landschap. Jarenlang werd er vergeefs gewacht op al die verborgen meesterwerken die nu het licht zouden zien, en op de nieuwe romans die na 1974 in vrijheid geschreven konden worden. Maar pas in 1979 deed Lobo Antunes als eerste het land opschrikken met een volslagen nieuw geluid in een roman die aankwam als een vuistslag.

„Ik was achter in de dertig toen mijn eerste roman (Memorias de Elefante) uitkwam, maar ik schreef al vanaf mijn vierde. Ik had tuberculose en moest twee jaar lang het bed houden. Ik zag hoeveel plezier mijn grootvader beleefde aan het lezen van de overlijdensadvertenties van al die sukkels die veel te jong waren gestorven. Ik wilde dus ook graag leren lezen, en toen ik dat eenmaal kon ben ik gaan schrijven. Sindsdien heb ik elke dag geschreven. Op een bepaald moment begon mijn grootvader zich zorgen te maken. Hij had de gevoeligheid van een kunstenaar, maar hij was beroepsmilitair en toen ik een jaar of twaalf, dertien was vroeg hij me dreigend: ‘Je bent toch geen homo?’ Ik ging dus maar stiekem schrijven, alles wat ik schreef gooide ik weg. Ik heb nog wel even met de gedachte gespeeld om letteren te studeren, maar mijn vader, zelf arts en zoon van een Duitse moeder, besloot in democratisch overleg dat het medicijnen moest worden. Mijn moeder heeft me op haar manier ook gestimuleerd, door op mijn eerste roman, die ik haar met een mooi papiertje eromheen cadeau deed, te reageren met de woorden: ‘Dit is zo slecht. Met jou zal het nooit iets worden.’

„Toen ik overdag als arts werkte, schreef ik ’s avonds vanaf een uur of elf, tot diep in de nacht. Op een dag kreeg een vriend een van mijn schrijfsels in handen en ging ermee naar een uitgever. De eerste paar jaar werd het overal geweigerd, maar uiteindelijk was er een uitgever die wel belangstelling had. Hij bracht het boek in juli uit, midden in de vakantieperiode, normaal gesproken de slechtste tijd. Maar toen ik terugkwam van vakantie bleek het een groot succes te zijn en al gauw waren er 100.000 exemplaren van verkocht. Succes is als ouderdom: je wordt er plotseling door overvallen.

„Na de publicatie van mijn tweede boek ontving ik een brief van Thomas Colchie, een literair agent die veel Spaanse en Portugeestalige auteurs vertegenwoordigde, onder wie grootheden als García Lorca. Of hij mijn werk aan het buitenland mocht verkopen. Ik heb hem eerst niet eens geantwoord, ik dacht dat het een grap was. ‘Jouw werk gaat de wereld veroveren’, zei hij. Hij bleek het echt te menen. Eerst volgde afwijzing op afwijzing. Ik maakte me zorgen dat hij zijn tijd met mij verdeed. Die angst om mensen teleur te stellen die meer vertrouwen in mij hebben dan ikzelf heb ik altijd gehouden. Toen men dacht dat ik de Nobelprijs zou krijgen, die k naar Wislawa Szymborska ging, voelde ik me schuldig tegenover mijn uitgevers.

Lobo Antunes zucht diep. „Erkenning maakt me zenuwachtig. Het geld is een prettige bijkomstigheid, daardoor kan ik me nu al jaren volledig aan het schrijven wijden. Daarvoor ben ik mijn lezers heel erkentelijk. Maar de critici zijn nu zo unaniem in hun positieve oordeel dat het gewoon verdacht is. Wat is er mis met mijn werk dat iedereen het de hemel in prijst?”

De schrijver kijkt me hulpeloos aan en steekt nog een sigaret op. „Ik heb er niet voor gekozen om romans te schrijven. Het hele leven vangen tussen de twee kaften van een boek, dat is wat ik wilde. Een eigen stem vinden, dat is het allermoeilijkst. Eerst moest ik een gevecht voeren tegen de schrijvers die ik bewonderde en wilde overtreffen: Francisco de Quevedo, Tolstoj, Conrad. Het is de kunst een manier te vinden om emoties te vertalen in woorden. Maar de afstand tussen het oorspronkelijke gevoel en het resultaat op papier is enorm groot. Schrijven is een ongelooflijk lastig proces, en ik vind het met de jaren lastiger worden. Iedere keer ben ik bang om met lege handen te staan. Maar ik leef nog, dus ik schrijf. Soms denk ik dat het zo’n slecht beroep nog niet is. Zelf heb ik veel gehad aan de boeken van andere schrijvers.

„Ook tijdens die extreme jaren in Angola ben ik blijven schrijven. Het was iets menselijks in een onmenselijke omgeving. De soldaten waren kinderen van 18, de officieren een paar jaar ouder. Het was een oorlog van kinderen, zoals alle oorlogen. We leerden er doden, om zelf niet gedood te worden. Er zijn heel veel jongens gesneuveld. Het ergste vond ik dat het zo’n onrechtvaardige oorlog was, met winnaars noch verliezers. Als je naar de hemel boven je keek, herkende je geen enkele ster. Wat doe ik hier in godsnaam?, vroeg je je af. Moeten er zoveel doden vallen alleen om die vreselijke woorden met een hoofdletter te verdedigen: Roem, Eer, Vaderland?

„Mijn vrouw was drie maanden zwanger toen ik in 1970 naar Angola vertrok, ik heb de zwangerschap en de geboorte gemist, mijn dochter wist niet dat ik haar vader was. Die oorlog heeft zoveel kapotgemaakt; dat is moeilijk te vergeven. Iedereen die hem heeft meegemaakt is er blijvend door veranderd, ik ook. Maar in die oorlog heb ik ook ontdekt wat kameraadschap betekent. Je moet samen overleven. Nog altijd komen we met een groepje van vijf officieren twee keer per maand bij elkaar. Onlangs is een van hen door een stompzinnig ongeluk omgekomen. Dat heeft de rest van ons diep geraakt.

„Mijn dochters vragen me wel eens waarom ik zo weinig tijd met ze doorbreng. Maar ik moet schrijven, ik kan niet anders. Als ik met een boek bezig ben sta ik ermee op en ga ik ermee naar bed. Misschien zijn mijn boeken wel het enige dat ik andere mensen kan geven: een monument van woorden.”