Ik ben er voor wie eenzaam stierf

Lon de Haas (49) is forensisch arts in Amsterdam.

Elke vrijdag een gesprek over hoe iemand zich ontspant en weer oplaadt.

Een forensisch arts onderzoekt de ‘aard van overlijden’ bij een overledene wanneer niet duidelijk is of sprake was van een natuurlijke dood. Dood door een val? Dood door een hartstilstand? Dood door moord?

Zo werd Lon de Haas (49) opgeroepen om te komen schouwen bij een man die dood voorover op tafel lag. De buren hadden 112 gebeld, wegens de stank. Een lijk, gespuugd bloed. Men vermoedde een maagbloeding. Lon de Haas vertrouwde het sporenpatroon niet en vroeg om een gerechtelijke sectie. Daar werden de kogelgaten zichtbaar. Een afrekening in het criminele circuit? Een zaak voor de politie.

De forensisch arts, die ook wel schouwarts wordt genoemd, verleent daarnaast huisartsenzorg aan gevangenen. Hij gaat op ziekenbezoek in het cellencomplex, ook bij de zware jongens. Lon de Haas koos voor dit beroep omdat hij nieuwgierig is naar andermans leven. En omdat hij vindt dat iedereen, ook een dode, recht heeft op goede zorg. Maar ook om de spanning. Want, vertelt hij in een café in hartje Amsterdam: „Ik ben wel een beetje van de straat. Ik gebruik mijn cafékennis als ik weer op een duistere locatie ben. Daarbij vind ik het waanzinnig interessant om iedere keer weer in het leven van iemand anders te stappen.”

Is dat wat u doet vanaf het moment dat u wordt opgeroepen?

„Als ik alleen maar bezig zou zijn met de dood, zou ik dit beroep niet kunnen uitoefenen. Dan is het veel te luguber. Uren in de stank staan om vast te stellen of iemand een natuurlijke dood is gestorven, houd je dan niet vol.”

Wat is uw remedie?

„Ik heb mezelf aangeleerd net zo lang in die stank te blijven staan tot ik het niet meer ruik. Ondertussen dwaal ik door het huis en verplaats ik me in het leven van de overledene. Zo was ik laatst in een prachtig huis, een soort burcht leek het wel. Het voelde alsof ik binnenstapte in het leven van een kluizenaar. Overal boeken, papieren, patenten van uitvindingen. Dat maakt het vak voor mij leuk. Je komt overal: de ene keer sta je middenin de nacht met je laarzen in de blubber, de andere keer voor een brandende open haard in Amsterdam-Zuid.”

Dat lijkt dan meer op een huisartsenbezoek.

„Met dat verschil dat er wel altijd een dode te betreuren is. En soms zijn dat lugubere taferelen. Al moet je vooral dat lugubere proberen uit te schakelen. Mijn baas heeft ons bijgebracht: stel: er is iemand voor de trein gesprongen en jij wordt daarbij geroepen. Je komt aan bij de spoorlijn en je schrikt je helemaal te pletter. Niet doen! Op dat moment moet je de knop omdraaien en je gevoel uitschakelen. Dan wordt het een soort anatomische les. Wij worden altijd als eerste op de plaats van een ongeval toegelaten. Ik ga ook nooit alleen – altijd samen met iemand van de technische recherche. Dan komt weer dat inleven. We bekijken de situatie en ik onderzoek het overlijden. Dan volgt een onderling overleg. Als ik het niet vertrouw – als ik denk dat er een derde in het spel is, schakel ik justitie in.”

Dan bent u niet alleen de arts maar ook de nieuwsgierige rechercheur.

„Een beetje wel, omdat ik op de plaats delict samenwerk met de technische recherche. Om mijzelf voor te bereiden op wat ik ga meemaken, zet ik de auto altijd een eindje verder dan waar ik moet zijn. Dan snuif ik alvast een beetje de sfeer, letterlijk en figuurlijk. Ik blijf ook nog even voor de deur staan. Dan ga ik naar binnen, raak niets aan en begin aan de reconstructie. Je treft een overleden iemand aan – wat is er gebeurd? Je praat met de buren. Je praat met de familie. Wat waren de omstandigheden? Dan voel ik de tragiek van zo’n persoon en zijn leven. Verwaarlozing, eenzaamheid. Als ik zeker weet hoe het gegaan is, besluit ik tot een natuurlijke of een niet-natuurlijke dood.”

Dat is een behoorlijke verantwoordelijkheid. U beslist dan bijvoorbeeld over moord of geen moord?

„Niet zozeer over moord of geen moord. Dat is aan de rechter. Ik beslis alleen over de aard van overlijden en doe als het even kan uitspraken over de doodsoorzaak. Ik heb er vast ook wel eens naast gezeten, maar niet vaak. Tenminste, dat zegt mijn gevoel. De kunst is natuurlijk om het aantal gevallen van onterecht afgegeven verklaringen van natuurlijk overlijden zo klein mogelijk te houden. Andersom zijn er ook gevallen bekend waarin wij zeggen: ‘geen natuurlijke dood’, maar dat de recherche tactisch en technisch niet rond krijgt wat er wél is gebeurd. Dat is heel frustrerend, ook voor ons. Ik zeg altijd tegen mezelf: ik ben hier om de laatste goede zorg te geven. Een slachtoffer heeft recht op de laatste goede zorg. Het zal je moeder maar zijn!”

Of je kind.

„Daar raak je een gevoelige snaar. Wij worden ook bij drama’s in de familiesfeer geroepen. Dat zijn de zwaarste momenten van het vak – laatst nog meegemaakt. Wat ik weet, is wat ik heb gezien. En dat zag er niet goed uit. Twee kleine kinderen met messteken om het leven gebracht. Gruwelijk. Nog erger dan gruwelijk. Ik voelde de strijd van de kinderen...”

Hoe verwerkt u dat? Praten met collega’s of met een traumatoloog?

„Ben je gek. Ik denk dat voor veel artsen geldt: niet zeiken maar doorlopen. Dat kinkt misschien hard of negatief, maar voor mij is het de enige manier. We vinden allemaal wel een weg om het te verwerken. Maar je moet elkaar vooral niet gaan bellen. Zo van: hoe gaat het nu met je? Dan raak je bij mij de bodem. En dat vind ík in ieder geval niet fijn. Thuis heeft voor mij de functie van verwerken. Praten met mijn meissie, stoeien met de kinderen. En ik kan het goed bespreken met mijn maten in het café – ook al zitten daar veel artsen tussen.”

Is het werk in Amsterdam zwaarder dan elders in Nederland?

„Amsterdam is het episch centrum voor forensische artsen. Binnen onze groep hebben we heel veel ervaring en alles wel een keer meegemaakt, van een bizarre suïcide tot verschrikkelijke moord. Wat je vaak onderzoekt, daar word je vanzelf goed in. Al die ervaring hebben we bijeengebracht in een forensisch medisch expertise centrum. Onze forensisch artsen draaien 24-uursdiensten, waardoor onze expertise dag en nacht beschikbaar is.”

En nooit de gedachte om toch maar weer gewoon in het ziekenhuis te gaan werken?

„Vanaf dag één tot nu heb ik geen spijt gehad van mijn keuze. Ik heb gewerkt op de afdelingen algemene chirurgie, urologie, hartchirurgie en jaren op de spoedeisende hulp. Maar ik voel me prettiger bij de kortdurende zorg van de straat. Want dat is het, je ziet mensen zelden vaker dan één of twee keer.

„Zelf ben ik ook een beetje van de straat. Vroeger hard weggereden voor de politie, op mijn opgevoerde brommertje. Ik probeer me in te leven in de mensen die mij nodig hebben. Of dat nu gevangenen zijn met een hulpvraag of kluizenaars die op een dag heel eenzaam het leven laten. Ik zal er voor hen zijn.”