Idealisme van onderop en van bovenaf

Idealisten zijn lastige mensen. Overtuigd van hun heilig gelijk, vinden ze dat alles en iedereen daarvoor moet wijken. Hun hele leven komt in het teken van de Goede Zaak te staan, niet altijd tot genoegen van hun omgeving. Vandaar dat idealisten die hun liefde voor de Mensheid van de daken schreeuwen, concrete mensen (echtgenoten, kinderen, vrienden, om over tegenstanders nu maar te zwijgen) vaak als oud vuil of erger behandelen.

Hetzelfde geldt voor dierenidealisten. Helemaal symmetrisch is de gelijkenis niet. Het komt namelijk zelden voor dat dierenidealisten de concrete dieren in hun omgeving laten lijden onder hun ideaal: ook bij hen zijn altijd de mensen de pineut. Niet anders is het in Koetsier Herfst, de nieuwe roman van Charlotte Mutsaers. In dit boek gaat het medelijden uit naar dieren en niet naar mensen die geslachtofferd worden. Want ‘mensen zijn nooit onschuldig’. Net zo bestaat er geen ‘goed vlees’ en zijn vissers ‘massamoordenaars’.

Maar pas op, in de roman is niet Charlotte Mutsaers aan het woord. De eenzame ‘reus’ Maurice Maillot treedt op als verteller en de vegetarische tirades komen vooral voor rekening van zijn ‘bruid’ Do, die hij op onnavolgbare wijze – via de vondst van een mobieltje – tegen het lijf is gelopen. Wat een bizar en irritant wezen, hoe mooi en onweerstaanbaar ze in Maurice’ ogen ook mag schijnen. Een en al grilligheid en fanatisme (‘Noem jij alles wat niet in je kraam van pas komt fanatiek?’), op de rand van de waanzin.

Ik sluit niet uit dat Charlotte Mutsaers het in veel opzichten hartstochtelijk eens is met haar personage, maar zij is een veel te goede schijfster om het daarbij te laten. Niet alleen loopt Maurice soms het water in de mond bij de gedachte aan een ‘kabeljauwhaasje’, in een cruciale passage kantelt het hele beeld op verrassende wijze. Wat verdacht veel op een tendensroman begon te lijken, verandert opeens in een tragedie. Een verhaal dat, met hoeveel stilistische brille ook geschreven, eendimensionaal dreigde te worden, krijgt diepte.

De roman is opgedragen ‘aan alle prisoners of compassion in verleden, heden of toekomst’. Met deze term zijn in eerste instantie de ouders van Maurice bedoeld, dierenactivisten die in de cel zijn gestorven. Zijn geliefde Do is ook zo’n activist, als lid van het Lobster Liberation Front bevrijdt zij kreeften. Maar op bladzijde 297 krijgt de uitdrukking prisoners of compassion een heel andere betekenis.

Medelijden, legt Do uit, heeft niets te maken ‘met zaken als vrije wil, moraal of verstand. […] Omdat het geen keuze is maar een overval. En na die overval beland je in de gevangenis. […] Het betekent het eind van je gezondheid, je kracht en je levenslust. Je hele beleving wordt erdoor verziekt. Logisch dat je dan crazy wordt en zelfmoord pleegt’. De krankzinnige avonturen van Do en Maurice (mensen met wie je als lezer steeds meer medelijden krijgt) spreken deze diagnose niet tegen, evenmin als de fatale afloop van de roman.

Mutsaers’ Do zou je een idealist van onderop kunnen noemen; als dierenactivist knapt zij al het vuile werk zelf op. Met het idealisme van bovenaf – dat ook bestaat – hebben we onlangs weer eens kennis kunnen maken via het gedoe rond Eveline Herfkens. Zij vertegenwoordigt een interessant verschijnsel dat vóór de 20ste eeuw nog niet bestond: het medelijden als carrière. In zekere zin is dit de opvolger van het medelijden als roeping, dat je vroeger kon tegenkomen bij priesters, nonnen en missionarissen. Met dit verschil dat de carrièristen geen belofte van armoede afleggen; zij zetten zich met hart en ziel in voor de Derde Wereld, de bestrijding van de armoede of de bevordering van de rechtvaardigheid op basis van een riant salaris en aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarden. Soms gaat daarbij iets mis, getuige Eveline Herfkens.

In de Volkskrant las ik een portret van haar, waarin vrienden en collega’s om het hardst verzekeren dat je alles van Eveline kan zeggen, maar niet dat ze ‘inhalig’ is. Ik geloof het onmiddellijk. Het is haar nooit om het geld gegaan, want dat geld vindt ze vanzelfsprekend, it comes with the job. Het probleem zit ergens anders: bij het type organisatie, onderdeel van de globalisering, waar zij haar job heeft.

Ga je daar werken, gedreven door oprecht medelijden, waar kom je dan terecht? Soms in de Derde Wereld, voor een paar dagen of weken, na er (om geen tijd te verliezen: business class) heen te zijn gevlogen. Maar weer terug in New York of Genève veranderen de ziekte, de honger, de modder en de vliegen onwillekeurig in rapporten, statistieken, conferenties, procedures, ‘targets’ die wel of niet gehaald worden – een abstract geheel dat vooral op het computerscherm en in de vergaderzaal bestaat.

In wezen is zo’n organisatie zelf een abstractie, even ver verwijderd van de noodlijdende landen waarop men zich richt als van de landen die het geld fourneren. Een land van herkomst dat plotseling over dat geld gaat zeuren en het zelfs waagt je integriteit ter discussie te stellen, kan dan makkelijk veranderen in een achterlijke provincie, een hinderlijk soort ballast, ja een gevangenschap, die je dacht al bijna te hebben afgeschud.

Helaas voor Eveline Herfkens is het, naar ik vrees, precies omgekeerd. Niet het land van herkomst is de gevangenis, maar de abstracte organisatie waarvan zij deel uitmaakt. Ik zou er alleen niet mijn hand voor in het vuur durven steken dat die gevangenis nog altijd wordt bevolkt door prisoners of compassion.