Het Nederlands van Geert Mak heeft de duimen gelegd

Dat de Vlamingen Geert Mak niet goed kunnen volgen kan te maken hebben met zijn stem, waarin immers een eeuwenoude predikantencultuur mee-resoneert. Hoe aardig hij zijn woorden ook kiest, ze komen altijd van de hervormde kansel. En sinds de katholieke hertog van Parma Antwerpen heroverde (1585) en stad en ommelanden verloste van het calvinisme, zijn de Belgen het oude taalgebruik steeds meer ontwend geraakt.

Maar dat is natuurlijk maar één verklaring voor de Vlaamse ingreep in een Hollands televisiewerk. Godsdienst wordt weliswaar met de dag belangrijker (terwijl Turkse meisjesstudenten om een religieus hoofddoekje smeken, doen Turkse mannen straks weer allemaal een religieuze fez op) maar tussen België en ons zit het dieper dan het verschil tussen katholiek en protestant.

Als je vanuit Zeeland of Brabant één stap over de grens zet, voel je je meteen in een wildvreemd land. Dat is zeldzaam. Een Duitser die aan de andere kant van de Oder Polen binnenwandelt kan nog uren oostwaarts blijven doorlopen zonder te merken dat hij Duitsland heeft verlaten. Het grensgebied tussen Oostenrijk en Liechtenstein, tussen Noorwegen en Zweden of tussen Spanje en Portugal? Net zo. En voorbij Nieuweschans duurt het zeker tot Oldenburg vóór je merkt dat dit misschien Nederland niet meer is.

Maar Wuustwezel? Onmiddellijk buitenland. Of het nou aan de woningen ligt, de vitrage, de kamerplanten of de manier waarop een boer zijn klompen draagt – je bent niet meer thuis.

‘Op de taal na dan toch zeker’, word ik berispt door een Vlaming die mijn verzuchting heeft opgevangen.

‘Wat zegt u?’, vraag ik, want ik heb hem niet verstaan.

Er klonk wel iets Nederlands in zijn zin, maar W.F. Hermans, die kort tevoren Hugo Claus had betrapt op een breed raam dat ‘uit geeft op een park’, merkte al in 1978 op:

‘Er bestaat haast geen Belg die in staat is meer dan vijf regels Nederlands op te schrijven, zonder dat een Nederlander die het leest bij zichzelf denkt: hier is een Zuiderbuur aan het woord.’

Laat staan als we het over spreken hebben.

Het rechtgeaarde Nederlands dat men in Vlaanderen spreekt heet puristisch te zijn: van vreemde smetten vrij. Daarom noemen ze een regisseur bijvoorbeeld liefst een verwezenlijker. Maar ik herinner me een rechtgeaarde Vlaming die een lans wilde breken voor de onbegrijpelijke film van een landgenoot, en die ter verontschuldiging van de maker zei: ‘Ge moet nochtans de courage bewonderen van den verwezenlijker.’

Dat zijn inderdaad geen gemiddelde Mak-zinnen.

Zijn we eigenlijk wel één taalfamilie?

Daar wordt nog altijd ontzettend mee gekoketteerd, en veel bedenkelijke Nederlanders vinden dat we de Daad bij de gemeenschappelijke woorden zouden moeten voegen en Vlaanderen, tot en met Brussel-Halle-Vilvoorde, aan onze borst moeten drukken. Maar ik kijk onder het avondeten wel eens naar het spelletje Blokken (geen Europees land waar ze zo veel kwizzen als België), en de presentator hoor ik dan vaak zeggen dat iemand ‘de duimen heeft gelegd’.

Letterlijk vertaald Frans: mettre les pouces. Dat stelde Hermans ook al vast: ‘Het Nederlands van de Belgen is veel gemakkelijker in het Frans te vertalen dan het onze’.

Maar is dat niet een stuk eervoller dan binnen de stamverwantschap een Afrikaander te zijn, een taal te spreken die door de Engelsen babydutch wordt genoemd, en niet eens door de Taalunie te worden erkend? Als een moderne zelfbewuste Vlaming zou ik er nooit bedremmeld over hebben gedaan dat ik Geert Mak slecht kon verstaan. Ik zou trots zijn op een taal die weliswaar in de verte soms aan het Nederlands doet denken, maar die Vlaams heet. De Walen noemen wat zij spreken toch ook geen Frans?

We moeten eens af van die grootnederlandse gedachte.

Lees alle columns van Blokker op nrcnext.nl/blokker