‘Het lukt nooit meteen’

Het kunstbeleid werd tien jaar lang mede bepaald door topambtenaar Martin Berendse. „Er heerste bij ons een grote onderlinge vrolijkheid.”

Martin Berendse foto Leo van Velzen Den Haag, 06-02-08. Martin Berendse, directeur van het Nationaal Archief. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Het was een soort Gideonsbende die in 1998 de cultuurafdeling op het ministerie van OCW ontstond. Met Rick van der Ploeg als staatssecretaris. Met Gitta Luiten als zijn politiek adviseur. Met George Lawson, Aad Hoogervorst en Martin Berendse als topambtenaren. Vanuit Zoetermeer begonnen zij de kunstwereld te bestoken met prikkelende stellingen die Van der Ploeg naar buiten bracht. Zoals:

Culturele instellingen moeten meer vrouwen, jongeren en allochtonen binnenhalen in hun zalen en in hun bestuurskamers. Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van subsidies. Culturele instellingen moeten meer ruimte geven aan jonge kunstmakers en aan vernieuwing. „De titel van de nota van Van der Ploeg – Cultuur als confrontatie – zegt eigenlijk alles over onze aanpak”, vertelt Martin Berendse nu.

De Gideonsbende had wel lol in de geërgerde reacties uit de kunstwereld. Berendse: „Er heerste bij ons een grote onderlinge vrolijkheid. Misschien was ik in dat opzicht niet de meeste geschikte ambtenaar voor Van der Ploeg. Ik bood niet echt tegenwicht, integendeel, het punt dat we te verdedigen hadden schiep een esprit de corps.” Welk punt precies? „Kunstsubsidies waren niet langer vanzelfsprekend. Kunstinstellingen moesten niet alleen aantonen kwaliteit te hebben, maar ook maatschappelijk draagvlak. Noblesse oblige.”

Van der Ploeg is al lang weer hoogleraar economie en bestuurder in de kunstwereld. Gitta Luiten is directeur van de Mondriaanstichting. George Lawson wordt de baas van het nieuwe Fonds voor de podiumkunsten. Martin Berendse is net directeur geworden van het Nationaal Archief en wordt tijdelijk vervangen door Aad Hoogervorst. De overstap van Berendse is de aanleiding voor een gesprek over een periode van negen jaar, waarin Berendse als directeur Kunsten uitgroeide tot één van de machtigste mensen van de kunstwereld.

Martin Berendse (1963) is een jongensachtige man, die een zekere lichtheid uitstraalt. Hij is een echte ambtenaar: „Dit is een terugblik, dus ik ga niet in op de actualiteit.” Maar dit formalisme gaat schuil onder een vrolijke presentatie en onder een authentiek aandoend enthousiasme. Bijvoorbeeld als hij praat over het laatste boek van Philip Roth, Exit geest: „Eenvoudig en diepzinnig, precies de kunst waarvan ik houd.” Of over het verfijnen van het subsidiesysteem: „Ik ben een systeembouwer, een fantastische job.”

De opvattingen die destijds zoveel rumoer veroorzaakten, zijn inmiddels gemeengoed in de kunstwereld, stelt Berendse vast: „De cultuur op school, de publiek-private investeringen, de spreiding van kunst, het ondernemerschap.” Zelf noemt hij geen voorbeelden, maar ze zijn er in overvloed: van de museumprijsvraag die de Mondriaanstichting uitschreef voor multiculturele projecten tot het pleidooi van de Commissie Cultuurprofijt voor meer cultureel ondernemerschap dat vorige week veel bijval kreeg.

Berendse beleefde zijn bekering

van Saulus in Rotterdam, waar hij midden jaren negentig werkte. Van origine komt Berendse uit het kleinschalige experimentele theater; hij was onder meer directeur van het Festival a/d Werf in Utrecht. In Rotterdam werd hij directeur van het Ro Theater, een groot gezelschap dat zich richt op een breed publiek – „familievoorstellingen met Kerst.”

Maar hoe breed was dat publiek eigenlijk, begon Berendse zich af te vragen. „Mensen uit het onderwijs zeiden mij: ‘Heb je gezien wat de populatie is op scholen? Wie er wonen in de wijken van Rotterdam-Zuid?’ Toen stelde ik vast dat hele bevolkingsgroepen – allochtonen, jongeren – niet naar onze voorstellingen kwamen.”

Het Ro Theater begon aan repertoire dat ook anderen dan de traditionele theaterliefhebbers – hoogopgeleid, wit – moest trekken. In Birmingham had hij het idee opgedaan om van elke drie nieuwe nieuwe stukken er één door allochtonen te laten schrijven. Het plan verzandde door interne strubbelingen. Berendse: „Dit soort dingen lukt nooit meteen.” Toen Berendse in 1998 als cultuurambtenaar aantrad, ontdekte hij dat het ministerie van OCW al bezig was op vergelijkbare manier de kunstwereld open te breken. „Ambtenaren hadden al lang in de gaten dat de kunstwereld zich zou moeten aanpassen aan de veranderingen in de samenleving en bewindslieden hadden al het een en ander gedaan. Van der Ploeg heeft de schroeven verder aangedraaid.”

Dat deed Van der Ploeg vooral in toespraken en debatten. „Juist bij cultuurbeleid werkt management by speech heel goed, heb ik toen geleerd. Alleen al door dingen hardop te zeggen kan een bewindspersoon dingen in beweging brengen, de kunstproducenten een bewustzijn bijbrengen. Noem het maar het Erica Terpstra-effect.” Daarmee verwijst Berendse naar het onverwoestbaar enthousiasme waarmee de VVD-politica de sportwereld benaderde.

De weerstand die Van der Ploeg en zijn vernieuwers opriepen in de kunstwereld bereikte een hoogtepunt tijdens het roemruchte conflict rond theatergroep De Appel. In 2000 adviseerde de Raad voor Cultuur om de subsidie niet te verlengen, omdat de theatergroep te weinig vernieuwend zou zijn. De Nederlandse kunstwereld was razend.

Waardoor liepen de emoties destijds zo hoog op? Berendse verwijst opnieuw naar de nota Cultuur als Confrontatie, ook wel bekend als het ‘rode boekje’. Daarin stond de zin: ‘Internationaal wordt ons land geprezen om de avant-garde die twintig jaar geleden tot het bestel is toegelaten, maar die groep zit er sindsdien nog steeds en is tot het establishment van deze tijd gaan behoren.’ Berendse: „Dat zinnetje heb ik zelf toen met plezier opgeschreven en is mij altijd bijgebleven. Het zinnetje was ook de oorzaak van de boosheid, denk ik. Mensen van die generatie voelden zich aangesproken.”

Een groot deel van de Tweede Kamer vroeg Van der Ploeg om De Appel te sparen. Van der Ploeg weigerde af te wijken van het advies. Berendse: „Het was cruciaal dat Van der Ploeg zijn been stijf hield. Daarmee garandeerde hij dat het primaat van het inhoudelijk oordeel over de kunst niet bij de politiek ligt, maar bij de Raad voor Cultuur.”

De discussie was volgens Berendse een keerpunt. De geschrokken Kamer wilde zich niet meer bemoeien met subsidieaanvragen. Berendse: „Kort daarna wilde iedereen plots een soort Arts Council, een doorgeslagen reactie op De Appel.” In dat Britse model zorgt de staat voor geld, dat door een adviesorgaan wordt verdeeld. Volgens Berendse is de praktijk anders.

Bij een bezoek aan het Arts Council in Londen, vroeg Berendse de directeur het volgende: ‘Stel dat jullie besluiten om de subsidie aan Covent Garden stop te zetten, hoe gaat dat dan?’ Toen ontspon zich de volgende dialoog.

– Dan bel ik eerst de eerst verantwoordelijke ambtenaar op het ministerie van Cultuur

– En wat doet die dan?

– Die belt met zijn baas, de hoogste ambtenaar op het ministerie?

– En wat doet die dan?

– Die belt met zijn minister

– En wat doet die vervolgens?

– Die bewindspersoon belt met de voorzitter van het parlement

– En wat is de uitkomst?

– Het gaat niet door

Berendse kijkt tevreden: „Dan concludeer ik: als de politici toch iets willen vinden van de kunstsubsidies, regel dat dan gewoon.”