Het is niet de subsidie, stupid

De Nederlandse kunstwereld is in een isolement geraakt.

Maar de bewering dat dit veroorzaakt wordt door het subsidiesysteem is volkomen uit de lucht gegrepen.

Hedendaagse kunst is, internationaal bezien, populairder dan ooit. De kunstmarkt bevindt zich sinds een jaar of vijf in een ongekende hausse. Vooral jonge kunstenaars doen het goed. Ook met de musea gaat het goed: er komen nog steeds nieuwe bij, en bezoekersaantallen blijven stijgen.

In Nederland is de stemming minder euforisch. Weliswaar vertonen ook onze musea stijgende bezoekcijfers, maar verder lijkt er niet veel positiefs te melden. Het geklaag is tenminste niet van de lucht.

Het begon met de publicatie, vorig jaar, van de bundel Second Opinion, over beeldende kunstsubsidie in Nederland. Volgens de directeuren van de twee belangrijkste subsidiefondsen, Lex ter Braak van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst en Gitta Luiten van de Mondriaanstichting, bevordert het Nederlandse subsidiebeleid middelmatige kunst en ontbreekt het kunstenaars aan de prikkel om aansluiting te zoeken bij de maatschappij. Anderen menen, zo blijkt uit het debat dat op de publicatie volgde, dat de Nederlandse kunstwereld in zichzelf gekeerd is en zich in een isolement bevindt ten opzichte van het buitenland.

Hoe staat het er met de Nederlandse kunstenaars voor? Terugkijkend op de afgelopen twintig jaar valt te constateren dat veel kunstenaars uit het zicht zijn verdwenen. Er zijn twee redenen aan te wijzen. Onze musea hebben niet bijzonder veel animo voor de eigen kunst en voeren geen samenhangend beleid op dit gebied. Het ontbreekt kunstenaars aan een podium. Velen verdwijnen daarom in de marginaliteit en hun werk is nauwelijks meer ergens te zien. Dit geldt ook voor kunstenaars die zo’n vijftien jaar geleden toonaangevend waren.

Verder verdwijnen kunstenaars uit het zicht juist omdát ze succes hebben. Een kunstenaar die een galerie vindt in Londen of New York moet bijna altijd de band met zijn Nederlandse galerie verbreken omdat zijn prijzen te hoog worden voor onze markt. De galerie in Londen heeft een internationaal netwerk, waardoor de kunstenaar tentoonstellingen krijgt in musea in Europa en Amerika, maar niet in Nederland. Het werk van Nederlandse sterren als bijvoorbeeld Michael Raedecker, Fiona Tan en Marijke van Warmerdam is hier mondjesmaat of helemaal niet te zien.

Zo beschouwd is Nederland inderdaad in een isolement geraakt. Dit heeft veel te maken met de ontwikkelingen op de internationale kunstmarkt. De prijzen stijgen razendsnel, ook voor werk van jonge kunstenaars. Veel kunst is te duur voor Nederlandse musea. Waar voorheen curatoren en critici nieuwe kunstenaars ontdekten en de toon zetten, zijn het nu verzamelaars en handelaren die dit doen.

Met andere woorden,

het is de markt zélf die bepaalt wat de volgende avant-garde is of wie een belangrijk kunstenaar wordt. De invloed van de kunstverzamelaar is groter dan ooit tevoren.

In Nederland hebben we geen internationaal opererende galeries en verzamelaars. Daarom is het zinloos en contraproductief dat politici, beleidsmakers en directeuren van subsidiefondsen om het hardst doordrammen over het „cultureel ondernemerschap” van kunstenaars.

In Second Opinion schetst Ter Braak een beeld van Nederland als een luilekkerland met een „relatief royaal subsidieaanbod voor individuele kunstenaars”, van rijksoverheid tot op regionaal en lokaal niveau. Door de subsidies zouden kunstenaars in staat gesteld worden zich afzijdig te houden van de wereld. Maar de realiteit is anders. De WWIK (Wet werk en inkomen) bijvoorbeeld is in feite een bijstandsregeling, waarbij de kunstenaar gedurende maximaal vier jaar ontheven is van sollicitatieplicht. Het basisstipendium van het Fonds BKVB bedraagt ongeveer 31.000 euro bruto verspreid over vier jaar, zo’n 650 euro per maand. De subsidies zijn veel te beperkt voor kunstenaars om zich afzijdig te houden van de wereld.

Het betoog van Ter Braak, en ook dat van Luiten, staat vol met ongefundeerde aannames over de verhouding tussen kunst en markt. Zo voorspelt Ter Braak dat wanneer kunstenaars zich verhouden tot de markt er een open dynamiek zal ontstaan waarin het publiek een rol kan krijgen. Over welke open dynamiek gaat dit? Vrijwel alle Nederlandse kunstenaars die nu succesvol zijn in het buitenland, zijn gesubsidieerd geweest (en sommigen zijn het nog steeds). Om er enkelen te noemen: Rineke Dijkstra, Lily van der Stokker, Folkert de Jong, Marina Abramovic, Joep van Lieshout, Marijke van Warmerdam. Mede dankzij subsidies hoefden deze kunstenaars zich niet aan te passen aan de markt en konden ze hun werk ontwikkelen.

Het beste voorbeeld is Aernout Mik. Hij krijgt in 2010 een tentoonstelling in het MoMa in New York, een gevolg van zijn succesvolle presentatie op de Biënnale van Venetië. De video-installaties van Mik worden al jarenlang gefinancierd met subsidies. Zijn hele carrière is geconstrueerd met subsidiegeld. En het werkt, zoals nu blijkt.

Vernieuwende kunst kan niet zonder ondersteuning. Bij ons niet, en elders ook niet. In het buitenland ondersteunen rijke galeries en particuliere fondsen ‘moeilijke’ kunst, ook als deze kunst lange tijd geen geld oplevert. De beroemde kunstenaar Lawrence Weiner bijvoorbeeld brak, zakelijk gezien, pas door in 1992. Hij was decennialang ondersteund door galerist Leo Castelli. De DIA Art Foundation in New York maakt het voor Andrea Fraser mogelijk om haar performances te realiseren. Alle succesvolle kunstenaarscarrières zijn geconstrueerd.

In Duitsland, dat een grote kunstmarkt heeft, hebben de deelstaten tal van subsidieregelingen. In Frankrijk wordt de eigen kunst ondersteund door de Franse staat. Het is een idée fixe om te denken dat Nederlandse galeries een kunstenaarscarrière kunnen construeren.

Luiten stelt voor om gelden over te hevelen van kunstenaars naar instellingen voor een honorarium- en productiebudget. Het is inderdaad beschamend dat kunstenaars niet betaald worden voor hun deelname aan tentoonstellingen. We hadden altijd de zogenaamde hang- en staangelden, maar musea hebben deze zelf ergens begin jaren tachtig geruisloos afgeschaft. Waarom het geld niet rechtstreeks aan de kunstenaar betaald?

Wim Pijbes, directeur van

de Kunsthal, deelde op een discussieavond over Second Opinion zonder blikken of blozen mee dat hij kunstenaars die bij hem exposeren om een kunstwerk vraagt, als ‘souvenir’. Tevreden meldde Pijbes dat hij al een aardige collectie had. Gesubsidieerd door de kunstenaars. Een interessante verzameling kan dit trouwens nooit worden. Iedere serieuze verzamelaar weet weet dat een verzameling pas in de diepte interessant wordt, door een kunstenaar langere tijd te volgen en meer werken aan te kopen. Éen ei is geen ei. Pas met drie begint het iets te worden. Dan ontstaat een context, geschiedenis.

Het is waar dat de Nederlandse kunstwereld in een isolement is geraakt. Maar de bewering dat dit veroorzaakt wordt door het subsidiesysteem is volkomen uit de lucht gegrepen. Het negatieve imago, de lage status die de kunst in ons land aankleeft, is veeleer het gevolg van het geklaag en de haast ziekelijke zelfkritiek, en van het gebrek aan steun voor kunstenaars, in de politiek en in de kunstwereld. Als wij zelf al niet geloven in onze kunstenaars, wie in het buitenland zal dat dan wel doen? Van fondsdirecteuren mag worden verwacht dat zij pal voor hun fondsen en de kunstenaars gaan staan, en hen verdedigen. De negatieve uitlatingen van Ter Braak en Luiten, het geringe vertrouwen in de eigen kunstenaars dat daaruit blijkt, berokkent de kunstenaars en ook hun eigen fondsen schade toe.

Wij zijn een klein maar rijk land dat, als het weer mee wil tellen, zijn kunstenaars ruimhartig moet ondersteunen, in iedere betekenis van het woord. Er wordt hier belangrijke kunst geproduceerd die het meer dan verdient om overal te worden getoond, met of zonder subsidie.

Dit is de bekorte versie van de Art Rotterdam Lezing die Janneke Wesseling gisteren uitsprak.