Het griendhout van toen

Over de combinatie wilgen en water. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen in Nederland.

Bij een permanente hoge grondwaterstand kan een wilg speciale wortels vormen. Foto Sake Elzinga Nederland - Drenthe - 07-02-2008 Wilgen takken. Ilustratie bij verhaal Koos van Zomeren over: Het griendhout van toen. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

De wind loeit om het huis, de regen slaat tegen het raam. Nu, dan gaan we eerst maar eens aan de keukentafel zitten, met een kop koffie of zo.

Jan van Zee is van 1952. Hij werkt in de bodemsanering en woont aan de dijk op Hellouw. Zijn vader kwam van een boerderij op Herwijnen en had later zelf een boerderij in de polder achter Vuren. Allemaal Waaldorpjes in de West-Tielerwaard.

„Wij zaten als kinderen altijd in de natuur”, zegt hij. „Er wás trouwens ook niks anders.” Buren op anderhalve kilometer: aan de ene kant de boerderij van een broer van zijn vader (getrouwd met een zus van zijn moeder), aan de andere kant de eendenkooi van Peer van Zomeren.

„Geen familie”, verzeker ik.

„Nee?”

„Alle andere Van Zomerens wel, maar die niet, schijn het.”

Bloemen, vlinders, vogels. Zijn vader wist de namen of had boekjes om ze op te zoeken. Koekoeksbloem, dagpauwoog, kneu en bosrietzanger, ransuil en bruine kiekendief. Vogels dus vooral in en rond de wilgenbosjes. Heel de polder was gestoffeerd met wilgenbosjes. Griendhout. Met name daar waar het te nat was voor wat beters.

Wilg en water, een fascinerende combinatie. Bij een permanente hoge grondwaterstand kan een wilg speciale wortels vormen om te profiteren van dat kleine beetje zuurstof in de bovenste waterlaag. Bij overstroming kan een wilg processen in zijn wortelstelsel, die normaal zuurstof vereisen, gaande houden door middel van gisting. Het werkt dan allemaal wat gebrekkiger, maar de boom blijft tenminste in leven. Zo weet de wilg zich te handhaven in het winterbed van rivieren.

Na deze uitweiding mijnerzijds, is het woord weer aan Van Zee. Hij knikt. Hij zegt: „Enorm taaie rakkers! Je hoefde maar een tak af te snijden en in de grond te zetten, en je had er alweer een wilg bij.”

Je had natuurlijk knotwilgen, meestal schietwilg, afgezet op 1,80 tot 2,00 m. Deze leverden periodiek staken op die stevig genoeg waren om stalpalen of gereedschapsstelen van te maken.

En je had griendhout, vaak katwilg, netjes in rijen gepoot, afgezet op 60 cm of nog lager. ’s Zomers werden deze percelen gewied en de opkomende bossen gedund; aan mankracht nooit gebrek. Elke drie jaar werden de tenen afgehakt, een typisch winterwerkje. Dat was dan het fameuze rijshout voor zinkstukken ter versteviging van de bodem onder dijken of wegen. Of het ging naar de mandenmaker.

De laatste mandenmaker op Herwijnen was een aangetrouwde oom van mijn vader (géén Van Zomeren, wel familie).

Een mandenmaker had voor zijn bedrijf zeker zes, zeven verschillende soorten wilgentenen liggen. Tot zijn assortiment behoorde niet alleen de aardappel- of bietenmand, maar ook de broedmand (voor eenden), de kanis (voor vis), de hoenderik (voor het plukken van kersen) en de bussel (voor het meenemen van kersen). Elk product stelde zijn eigen eisen aan de dikte en de soepelheid van de wilgentenen en hield zo de verscheidenheid aan griendhout mede in stand.

„En tegenwoordig”, vraag ik. „Hoe staat het tegenwoordig met het griendhout in de polder?”

„Het meeste”, zegt Van Zee, „is verdwenen met de ruilverkaveling; dat was bij ons in 1960. Of het is zachtjesaan vervangen door populier. De rest is intussen in verval geraakt. Hier en daar is nog iemand die het op de oude manier onderhoudt, maar dan bij wijze van hobby; er is geen economische noodzaak meer.”

Al pratende verstrijkt de tijd, een ochtend in ons leven. Het blijft waaien en regenen. We zouden naar griendhout gaan kijken, maar waarom eigenlijk, wat valt er nog te zien nu er al zoveel gezegd is?

„Voor dat wieden”, zegt Van Zee, „werd een kort zeisje gebruikt, een zicht. En voor het hakken waren er speciale snoeimessen, vier, vijf verschillende modellen wel. Daarvan heb ik er een paar op de kop getikt, die bewaar ik in de schuur hierachter.”

„Goed”, zeg ik, „dan gaan we messen kijken.”

Koos van Zomeren