Foto’s met een eigen mening

In een nooit gepubliceerde brief legde Robert Capa uit wat hij met Magnum wilde: „Overal naar toe kunnen gaan, de bladen laten afdrukken wat wij goed vinden en een boterham verdienen.”

De markt voor freelance fotografen stinks. Zelfs voor de beste, de slimsten en de meest commerciëlen onder ons is het nauwelijks mogelijk om een boterham te verdienen. We zijn niet zo goed als we denken dat we zijn. We hebben enorme pretenties. Onze manier van werken is idioot en verspillend. Desalniettemin bestaan we.”

Deze woorden schreef oorlogsfotograaf Robert Capa op 15 februari 1952 in een nog nooit eerder gepubliceerde brief. Ik ontvang de getypte velletjes, getiteld Report to the Stockholders of Magnum, van de 91-jarige John Morris. De oud-directeur van Magnum en voormalig chef fotografie van Life, Ladies Home Journal en The New York Times, heeft in zijn appartement in Parijs een persoonlijk Magnum-archief met allerlei documentatie uit de beginperiode van de oprichting van het fotoagentschap.

Op het moment dat Capa de brief aan zijn collega’s stuurt, bestaat het beroemde fotoagentschap, vernoemd naar Capa’s favoriete champagne, bijna 5 jaar. Het plan was om van Magnum een ‘groots’ fotoagentschap te maken. De oprichters, onder wie vijf fotografen, hadden er genoeg van om te worden uitgebuit door opdrachtgevers die hun te weinig betaalden en hun foto’s vaak slecht publiceerden of gewoon doorverkochten. Ze wilden een onafhankelijk fotobureau opzetten waarbij ze zelf de reportages bepaalden en waarbij beeldredactie en eigendomsrecht in handen van de fotografen bleven.

Op 22 mei 1947 werd het agentschap officieel gelanceerd. Tot aan het moment van Capa’s brief had Magnum al een aantal roerige jaren achter de rug. De meeste fotografen waren voornamelijk op reis geweest. Cartier-Bresson versloeg de dood van Mahatma Gandhi in India, George Rodger was met zijn vrouw naar Cape Town gezeild, Capa zelf had grote reportages gemaakt in de Sovjet-Unie en Europa.

Rond kerst 1951 leek het erop dat Magnum haar eerste winst had geboekt, een bedrag van rond de 700 dollar. Om dit te vieren had Capa een bar gereserveerd in het Algonquin Hotel in Manhattan, open voor ‘alle vrienden van Magnum’. De volgende dag, na een uitbundige avond, bleek de rekening een stuk hoger dan de jaarwinst.

Twee maanden later besloot Capa dat Magnum zakelijker moest worden. In zijn brief schrijft hij dat het fotoagentschap te veel wordt beschouwd als een „vrije organisatie” terwijl het iets zou moeten zijn dat „mensen over het algemeen een bedrijf noemen”. Over de eerste jaren schrijft hij: „Ons beleid was nogal kinderachtig en vaag. We hebben zitten babbelen over de foto’s die we wilden nemen en telkens benadrukt dat de bladen onze artistieke en journalistieke integriteit moeten respecteren. We wilden overal naar toe kunnen gaan, de bladen laten afdrukken wat wij goed vonden en er een boterham mee verdienen. Het grappige is dat we dat in feite precies hebben gedaan.”

Maar meer ook niet. En dat vindt Capa zorgelijk. Hij benadrukt dat Magnum journalistieker en commerciëler moet worden. „Het voornaamste beleid van Magnum is (...) dat het de wensen van de leden respecteert en probeert om de verhalen te promoten die zij zelf willen doen.” Capa benadrukt het belang van deze houding. „Ieder die zich in een gebied bevindt met groot nieuws en brandhaarden en zich, in plaats van dit vast te leggen, concentreert op pittoreske hoofdtooien en landschappen, kan zichzelf de schuld geven van commercieel en professioneel falen.”

Ruim twee jaar later na het schrijven van deze brief stapte Capa op 24 mei 1954 in Noord-Vietnam op een landmijn. Hij heeft nooit kunnen zien wat er van zijn agentschap terecht is gekomen. Morris, die voor de oprichting van Magnum al veel met Capa samenwerkte, vermoedt dat hij trots zou zijn. „Ik kan natuurlijk niet voor Bob spreken,” zegt hij terwijl hij in zijn werkkamer aan een Campari-soda nipt. „Maar ik denk dat hij, net als ik, opgetogen zou zijn dat Magnum nog altijd bestaat. Het is een wonder.”

Ruim vijftig jaar na Capa’s mismoedige brief is Magnum het beroemdste en belangrijkste fotopersbureau ter wereld. Het heeft vier kantoren: in Parijs, New York, Londen en Tokio, en 58 leden, waaronder 6 vrouwen, plus een dozijn aspirant-leden. Bovendien heeft het een groot archief opgebouwd met ruim een miljoen afdrukken van foto’s en zo’n 350.000 digitale beelden.

Op het Magnum-kantoor in Parijs zit directeur Julien Frydman, een opgewekte dertiger, die met een glimlach vertelt dat het agentschap nog altijd op het randje van bankroet staat. „Onze naam is beroemd, maar er is nooit geld over.”

Niettemin is de aantrekkingskracht van het agentschap onverminderd groot. Ieder jaar komen er zo’n 300 portfolio’s binnen, vertelt Frydman. „De vaste Magnumfotografen maken uit het jaarlijkse aanbod portfolio’s een voorselectie.” Uit de dertig die overblijven worden er enkelen genomineerd. „Soms zijn dat er drie,” zegt Frydman. „Maar twee jaar geleden werd er niemand uitgekozen.” Pas na twee tot vier jaar kan hij, na een aantal keer zijn werk te hebben verdedigd, volwaardig lid worden. Daarvoor moet hij tweederde van de stemmen krijgen. De procedure is langdurig omdat de fotograaf moet kunnen aantonen dat over een eigen visie op de wereld beschikt.

Fotografen van Magnum koppelen uitzonderlijk talent aan idealisme, hard werken en doorzettingsvermogen. Dat is nodig voor de oorlogsjournalistieke en documentaire foto’s waar het bureau zijn naam mee heeft gevestigd. Kenmerkend zijn de projecten van langere adem, waarbij een fotograaf gedurende lange tijd, vaak jarenlang, een bepaald onderwerp uitdiept. Dat geeft gelegenheid vertrouwd te raken met de mensen en de omgeving en heel precies het alledaagse leven te registreren. Frydman: „Behalve op een originele blik wordt een aspirant-lid getest op de kracht om om door te gaan. Voor de meeste langetermijnprojecten moet je ook een enorm uithoudingsvermogen hebben.”

Hoe dat uitpakt is te zien op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam en in het zeven kilo zware overzichtswerk dat Magnum vanwege haar 60-jarig bestaan uitbracht. Zo zijn er in het boek onder meer foto’s te zien van de Iraanse fotograaf Abbas (1944) die tussen 1987 tot 1994 een studie maakte van de wereldwijde wederopleving van de islam, waarvoor hij 29 landen bezocht. Ook een aantal mysterieuze, vaak vage zwart-wit beelden van Paolo Pellegrin (1964), gemaakt van brandhaarden als Zuid-Darfur of Irak, zijn erin opgenomen.

Volgens Morris is Magnum altijd een ‘humanistische organisatie’ geweest. „We hebben ons nooit officieel ‘anti-oorlog’ verklaard. Maar uiteindelijk denk ik dat iedereen die voor dit agentschap werkt wel staat voor vrede en rechtvaardigheid.” Als voorbeeld noemt Morris Vietnam Inc. van fotograaf Philip Jones Griffiths. Dit boek, dat het resultaat was van drie jaar werk en voor het eerst in 1971 werd gepubliceerd, had een enorme invloed op de publieke opinie in Amerika. Griffiths toonde, met 266 zwart-wit beelden, de effecten van de oorlog op de lokale burgerbevolking. „Die confronterende rol hebben fotografen nog steeds. Magnum heeft recent ook weer een boek gemaakt over de gevolgen van de oorlog in Libanon.”

Niet alles wat Magnumfotografen maken richt zich op oorlog en politiek. Zoiets als een ‘collectieve expressie’ heeft nooit bestaan. In het boek spat een verscheidenheid van stijlen van de pagina’s. De schilderachtige beelden van Henri Cartier Bresson (1908) uit India, worden afgewisseld met de bizar vrolijke zwart-wit beelden die de Australiër Trente Parke (1971) maakte van zijn ouders in hun achtertuin. De ironische beelden van de Engelse Martin Parr (1952), waarin hij het westerse consumentengedrag vastlegt, zijn weer heel anders dan de inzichzelf gekeerde portretten van Amerikaanse jongeren van de Franse Lise Sarfati (1958).

Frydman: „Vanaf het begin hebben er bij Magnum niet alleen traditionele oorlogs- of documentaire fotografen gezeten. Capa was echt een journalist. Henri Cartier-Bresson was een artiest. De manier waarop zij zich om de wereld bekommerden was heel verschillend.”

De verschillende opvattingen zorgden soms voor problemen, zoals in 1994 bij de benoeming van Martin Parr tot Magnum-lid. Zijn voyeuristische beelden van mensen die doelloos consumeren in winkelcentra vond Cartier-Bresson getuigen van een ‘nihilistische levenshouding’. Voor directeur Frydman past de keuze voor Parr bij de toenemende aandacht van de kunstmarkt voor alle vormen van fotografie. „Het belang van beeldreportages voor bladen wordt steeds minder groot nu de meeste nieuwsbeelden als eerste door de televisie of op het internet worden getoond.”

Veel documentaire fotografie komt nu ook op de kunstmarkt terecht, zegt Frydman. „Neem een aspirant-lid als Michael Subotzky. Zijn serie over Zuid-Afrikaanse gevangenen hing al in een galerie voordat hij bij ons kwam. Hetzelfde geldt voor Alec Soth. Niagara was al te zien in Gagosian, de meest prestigieuze galerie in New York, voordat hij bij Magnum kwam.”

De oude Morris beschouwt het werk van Parr als „commercieel”. Maar dat Magnum zich niet afsluit voor de wensen van de kunstmarkt, zou wel eens precies kunnen zijn wat Capa beoogde in zijn brief, vijftig jaar geleden. Volgens Morris vormt de oorlogsverslaggeving nog altijd het hart van Magnum. Door de jaren heen hebben Magnum-fotografen voor beelden gezorgd die nu deel uitmaken van het collectieve geheugen. Neem de intocht in 1968 van het Russische leger in Praag of de demonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking in 1989.

De dood van Capa viel Morris zwaar. Op dezelfde dag dat hij te horen kreeg dat zijn vriend in de buurt van Thai Binh op een landmijn was gestapt, kreeg hij ook het nieuws dat de 38-jarige Werner Bischof in Peru met een auto het ravijn in was gereden. „Het was vreselijk. Twee doden op een dag.” In de jaren dat Morris het fotoagentschap runde heeft hij vaak het gevoel gehad „dat hij mensen hun mogelijke dood instuurde”.

„Ik heb destijds tegen Bob gezegd dat hij niet naar Indo-China moest gaan. Ik zei: this is not your war. Maar hij ging toch.” Morris heeft het altijd betreurt dat zijn vriend die keuze maakte. De tragedie heeft zijn geloof in de kracht van het beeld niet aangetast. „Mijn critici vinden me misschien naïef, maar dat kan ik op mijn 91ste niet meer zijn. Fotografie heeft nog altijd de potentie om het belangrijkste wapen tegen oorlog te zijn.”

‘60 jaar Magnum Photos’ is tot 12 mei te zien in het Stedelijk Museum CS in Amsterdam. Open: dag. van 10.00 - 18.00. Tel. (020) 5732.911. info@stedelijk.nlBoek: Magnum Magnum. Uitg. Lannoo/ Thoth. Prijs: €150,-