En inderdaad, dan is het kind de dupe

Kinderen lijden onder een scheiding. Tenminste, als die gepaard gaat met geruzie.

Daarom besluiten steeds meer ex-partners om als co-ouders de opvoeding te delen.

Het is een lot dat steeds meer kinderen treft. Vorig jaar scheidden de ouders van 57.000 kinderen onder de 18 en van 13.000 (nog thuiswonende) kinderen boven de 18. Hoe ongelukkig worden deze kinderen?

Hun welzijn, zegt de Utrechtse socioloog Ed Spruijt, „wordt bepaald door de mate waarin ouders ruzie hebben, voor tijdens en na de scheiding”. In het boek Scheidingskinderen dat eind 2007 verscheen, beschrijft Spruijt de resultaten van 150, tussen 2001 en 2006 verschenen artikelen en onderzoeken over het leven van scheidingskinderen. In de meeste van die onderzoeken werd kinderen gevraagd een cijfer te geven voor hun depressieve gevoelens, angst, agressie en delinquent gedrag.

De minste last daarvan hebben kinderen met ouders die bij elkaar zijn en niet ruziën.

Daarna komen de kinderen met gescheiden ouders die niet ruziën.

Dan de kinderen met ouders die bij elkaar blijven maar veel ruziën.

Het ergst lijden de kinderen van gescheiden ouders die veel ruziën.

Het lijkt er dus op dat de mate van ruziën meer bepalend is dan de scheiding zelf. Dit verklaart mogelijk de groei van twee groepen scheidende ouders. Aan de ene kant komen er steeds meer gescheiden co-ouders, die in goed overleg de opvoeding delen. Hun aantal is in zes jaar verdrievoudigd, tot 15 procent. Aan de andere kant neemt het aantal ouders toe dat zó’n ruzie maakt dat de Kinderbescherming de rechter adviseert de vader helemáál niet meer met de kinderen te laten omgaan.

De eerste groep probeert het loyaliteitsconflict van hun kinderen (kies ik voor mijn vader of voor mijn moeder) te voorkomen, de tweede groep maakt er juist misbruik van.

Paul de Gier, bestuurslid van de vereniging van advocaten/scheidingsbemiddelaars, ziet vaak dat ouders hun kinderen dan inzetten als drukmiddel.

De Gier: „Afspraken over de kinderen timmeren we altijd het eerste dicht, dan vormen die geen obstakel meer. Anders zegt de moeder: ‘Je betaalt niet voor de kinderen dus je mag ze niet zien’. Ik heb rechters letterlijk horen zeggen: ‘Mevrouw, alimentatie is geen kijkgeld’.”

Ruziënde ouders kunnen hun relatie als ex-partners niet onderscheiden van hun rol als ouder, zegt hij. „Als de man vreemd ging of haar sloeg of kleineerde, dan vindt de vrouw hem op een goed moment een slechte man. Maar maakt dat hem een slechte vader? Dat hoeft niet. Dat leg ik cliënten elke keer opnieuw uit.”

De moeilijkste periode voor scheidingskinderen is die rond de scheiding zelf, zegt Ed Spruijt. „Er vertrekt een ouder, die ze missen. Soms moet een kind ook zelf verhuizen, waardoor hij zijn vrienden en zijn school kwijtraakt. En vaak worden de ouders in beslag genomen door hun problemen, waardoor ze weinig aandacht hebben voor hun kind.”

Maar zo erg als in het begin blijft het niet. Op den duur gaat het met de meeste scheidingskinderen beter. Dat wil zeggen: met tweederde van hen. Zo’n 30 procent van de scheidingskinderen scoort de rest van hun leven hoog op depressie, angst en relatieproblemen (ter vergelijking: dat geldt voor vijftien procent van de kinderen uit intacte gezinnen).

Voor alle scheidingskinderen geldt dat zij later twee keer zo vaak scheiden als kinderen van wie de ouders bij elkaar zijn gebleven. Die hebben, zegt Spruijt, „nu eenmaal niet het voorbeeld meegekregen van een huwelijk dat dag in dag uit redelijk ging.”

Hij pleit dan ook voor meer preventie: „Conflicten beheersen kun je leren. Het liefst als je nog bij elkaar bent. Dan hoef je misschien niet eens te scheiden.”