Een verteller met slordige, progressieve opvattingen

Graham Greene: A Life in Letters. Redactie: Richard Greene. Little, Brown, 446 blz. € 30,–

Wie de hele levensgeschiedenis van Graham Greene van 1904 tot 1991 wil leren kennen moet niet beginnen met zijn Life in Letters, waar alleen brieven van hemzelf in staan. Voor de ware belangstellende, aangewakkerd door de romans, komt eerst de driedelige biografie door Norman Sherry aan de beurt. Is er dan voor iemand die bijna alles al weet nog wel iets te beleven aan die onsamenhangende brieven, steeds toegelicht door Richard Greene (geen familie)? Jawel, de aanwezigheid van Graham Greene blijft nooit neutraal, ook niet in brieven aan onbekenden. En wie het lezen van zijn boeken jaren achter zich heeft zal levendig herinnerd worden aan Brighton Rock, The Heart of the Matter.,The Power and the Glory, A Burnt-Out Case, The End of the Affair.

Totale vreemdelingen in Greeneland (een vaak gebruikte term voor de verbeeldingswereld van de auteur) zullen zich enigszins afgewezen voelen door de titels van de hoofdstukken die genoemd zijn naar de voornaamste roman uit die periode. De hoofdstukken zelf gaan af en toe over die boeken, meestal over andere dingen. Waar zij dan precies over gaan en hoe zij erover gaan, verandert in de loop van de jaren; van de eerste uit 1921 tot de laatste uit 1991.

De eerste helft wordt gedomineerd door voldoening over nieuwe boeken, wanneer zij goed of minder goed ontvangen zijn; en door rijke gevoelens, eerst voor Vivien met wie Greene in 1927 getrouwd was en vervolgens voor Catherine Walston, met wie zijn relatie nooit helemaal ophield. De tweede helft biedt de verhalen, plannen en stemmingen van de gearriveerde auteur. Over liefde lezen we weinig meer, want Greene’s gezellin van de laatste dertig jaar, Yvonne Cloëtta, heeft bij haar dood de publicatie van zijn brieven aan haar verboden zolang haar echtgenoot nog zou leven.

Het gaat dan behalve over reis- en schrijfplannen en literaire opvattingen en meningsverschillen, ook nogal eens over de wereldpolitiek, waarover hij zich vaak in tamelijk slordige progressieve zin uitsprak. Zijn anti-Amerikanisme, zo sterk dat hij geen voet meer in de VS wenste te zetten, was altijd wel te voorzien van begrijpelijke zo niet aanvaardbare argumenten; in dit opzicht zou hij een voorloper van Harold Pinter genoemd kunnen worden. Zijn progressieve sympathieën waren soms helemaal niet plausibel. Dat Castro als dictator voor hem nog steeds een strijder voor vrijheid was, klonk meer als humeur dan als oordeel. Zijn uitspraak dat hij liever in de Sovjet-Unie zou wonen dan in de VS was onzin.

Niet dat die woonkeuze in de brieven herhaald wordt. Wat eraan herinnert is bijvoorbeeld de vriendschap met spion Kim Philby en de bezoeken aan hem in Moskou. De vraag: hoe behandel je een oude vriend die landverrader is geworden? kwam voor Greene niet aan de orde. Hij toetste zijn vriendschappen net zo min als zijn voorkeuren aan gangbare opvattingen. Een gedenkwaardige uitspraak op zijn eigen terrein is dat hij Conan Doyle steeds herlas en Virginia Woolf en E.M. Forster nooit: ‘but then I am not a literary man’. Wat was hij dan wel? Alleen een verteller?

Dat ook weer niet. Zijn verhouding tot het katholieke geloof is in leven én werk in behandeling gebleven, vanaf zijn bekering tot hij er een heel eigen opvatting op na hield, en tenslotte aan Yvonne schreef: ‘What is eighty years compared to eternity? So there must be something else’.

Een verteller was hij toch wel; daarbij ook een leermeester, minder in het bepalen van een houding in de tijd dan in leven met zijn eigen wisselvalligheden