Een Egyptenaar vreest het leven en al het andere

Ahmed al-Aidi: Ik ben Abbaas el Abd. Vertaald door Djûke Poppinga. De Geus, 128 blz. € 10,–

Ahmed al-Aidi: Ik ben Abbaas el Abd. Vertaald door Djûke Poppinga. De Geus, 128 blz. € 10,–

Volgens schrijver Ahmed Alaidi (Alaidy of al-Aidi) lijden Egyptenaren niet aan een collectieve gespletenheid vanwege een voortdurend schipperen tussen traditie en moderniteit, maar heeft men last van een oneindige rits verschillende fobieën. Niet de cultuur remt af, maar irreële angsten voor het leven.

Dit is een interessante stelling, want vaak wordt beweerd dat zowel de Arabische als de Maghrebijnse wereld niet om kan gaan met de huidige tijd. Het verleden laat vandaag niet toe en dat zou een ‘schizofrene’ maatschappij opleveren. Via de parabol (schotelantenne) zijn er bijvoorbeeld veelvuldig soaps te aanschouwen waar allerlei liefdesgeschiedenissen uit de doeken worden gedaan, terwijl de kijker weet dat hij nooit zal kunnen tongzoenen op een pleintje ergens in Caïro.

De roman Ik ben Abbaas al-Abd laat ons zien dat het niet ligt aan de samenleving. Angst is de boosdoener: filofobie, dementofobie, decidofobie, epistemofobie, doxofobie, hypegiafobie, eufobie, acousticofobie, agrafobie, allodoxafobie, dentofobie, arachibutyrofobie, panofobie, mastigofobie, eleutherofobie, fobofobie en nog heel veel meer.

Met deze vaststelling daagt Ahmed Alaidi – die vorige maand met veel succes optrad op het festival Winternachten – de leden van de Egyptische samenleving uit: jullie zijn gewoon bang, durven niet te leven en zo ook niet je partner in het openbaar te kussen, zegt hij tegen hen in zijn debuut.

In Ik ben Abbaas al-Abd probeert de naamloze hoofdpersoon door middel van medicijnen zijn duizend-en-een fobieën te onderdrukken. De roze pillen die zijn dokter hem voorschrijft, wekken in hem de stem Abbaas al-Abd leven. Hij is in staat om vrouwen te versieren, durft kritiek te uiten op oost en west en maakt zich niet druk om morgen. Maar Abbaas al-Abd is daartoe bij machte omdat hij niet bestaat. Hij is er nooit, behalve bij inname.

Wel is het jammer dat Ahmed Alaidi er voor heeft gekozen zijn roman vol te stoppen met oneliners, zoals ‘Hier worden, op klaarlichte dag, de Meisjes van de Nacht geboren’ of ‘Heersers van de wereld, die de ozonlaag hebben ontdekt en er vervolgens een gat in hebben gemaakt.’ Een verhaal met rake zinnen is mooi, maar omdat Alaidi er een overschot aan produceert, hapert zijn vertelling meer dan eens. Alaidi haalt dergelijke capriolen expres uit. Hij stelt de lezer op de proef. Zo krijgen wij regelmatig opgedragen het boek weg te leggen, de naam van onze psychiater met potlood op de aangewezen plekken in te vullen en worden geacht scènes zelf verder af te maken.

Hij lijkt ons met zijn stijl angst aan te willen jagen. Dat zal allemaal wel. Maar één ding leren we van Ahmed Alaidi: een samenleving met een angstige bevolking zal altijd angstig blijven, omdat alle actie en reactie is gebaseerd op angst. Hoe van de oneindige verschillende fobieën af te komen? Neem één roze pil te veel.