Dood doet leven

In een briljant boek weet Wilfried Stroh ons te overtuigen van het onderschatte belang van het Latijn als Europees-cultureel fenomeen – zonder dat hij overkomt als gek of reactionair.

De jonge Cicero lezend, een fresco van Vincenzo Foppa uit ca. 1464 Foto Wallace Collection / The Bridgeman Art Library TWC72278 Credit: The Young Cicero Reading, c.1464 (fresco) by Foppa, Vincenzo (1427/30-1515/16) © Wallace Collection, London, UK/ The Bridgeman Art Library Nationality / copyright status: Italian / out of copyright PLEASE NOTE: The Bridgeman Art Library works with the owner of this image to clear permission. If you wish to reproduce this image, please inform us so we can clear permission for you. Wallace Collection / The Bridgeman Art Library

Wilfried Stroh: Latein ist tot, es lebe Latein! Kleine Geschichte einer grosser Sprache. List Press, 415 blz. € 18,–

James Hankins (general editor): I Tatti Renaissance Library. Harvard University Press. 29 delen. € 23,– of € 29,–per deel. Zie ook: www.hup.harvard.edu/itatti

In de klas werd ons verteld hoe het Latijn in het midden van de 19de eeuw werd afgeschaft als voertaal op middelbare scholen: een leraar zou hebben gezegd claude fenestram (‘doe het raam dicht’), waarop de leerlingen de zin in hun schrift noteerden. De leraar herhaalde geërgerd zijn verzoek. De leerlingen onderstreepten nu de woorden.

Wij hoorden daar van op: pas een eeuw geleden afgeschaft als voertaal! Voor ons was Latijn alleen klassiek Latijn, dat van Cicero en Vergilius. Welke halvegare sprak dat nog in de 19de eeuw? Bovendien was dat klassieke Latijn voor ons dan ook nog eens enigszins suspect: de taal van de macht en de wetten, van pietas en virtus. Het Grieks, speels, oorspronkelijk en subversief, sprak meer tot onze jeugdige en revolutionaire verbeelding.

Deze beide vooroordelen zijn het hoofdonderwerp van Latein ist tot, es lebe Latein! van Wilfried Stroh (1939), emeritus hoogleraar Latijn van de universiteit van München. Het is één van de leukste, erudietste en provocatiefste boeken van de laatste jaren op het gebied van de humaniora. Stroh maakt de ondertitel, ‘een kleine geschiedenis van een grote taal’, volledig waar, in een boek dat toegankelijk is en geestig, dat een schat aan informatie en inzicht bevat: het is (tussen neus en lippen) een verzameling Latijnse citaten met uitleg; het bevat een bondige maar originele literatuurgeschiedenis van de klassieke periode; het geeft in een appendix de elementaire gegevens over uitspraak, klank en chronologie; en biedt inzicht in taal en daarmee cultuur van Middeleeuwen, Renaissance, Verlichting en 19de eeuw. Niets minder, kortom, dan een briljant boek.

De welgekozen titel verbergt de kern van Strohs betoog. Die is dat het dood-zijn van het Latijn juist haar onsterfelijkheid heeft bewerkstelligd. En het originele van die stelling is dat hij het verscheiden van het Latijn dateert op een ander moment in de geschiedenis dan gebruikelijk is. Niet aan het eind van de Oudheid en ook niet in de 19de eeuw, maar in de klassieke periode zelf: het eind van de 1ste eeuw voor Christus. Dat was het moment waarop, zo redeneert Stroh, het Latijn ophield te ‘bewegen’. Bewegen zoals talen dat nu eenmaal doen: de ‘beweging’ van het Nederlands in de afgelopen eeuwen maakt het nu zo moeilijk voor ons om 17de-eeuwse teksten te lezen.Maar wie Cicero kan lezen, leest even moeiteloos Seneca (één eeuw later), Hieronymus (vier eeuwen later), Einhardts biografie van Karel de Grote (acht eeuwen later), Erasmus uit de 16de eeuw en Spinoza uit de 17de. Vóór de klassieke periode, daarentegen, is het Latijn volop in beweging. Stroh heeft het daarbij over de geschreven taal – de spreektaal bleef bewegen en mondde uit in de Romaanse talen.

Deze visie heeft opmerkelijke consequenties. De ‘dood’ van het ‘bewegende’ Latijn, veroorzaakt door de canonieke vorm die auteurs als Cicero en Vergilius er aan gaven, zorgde namelijk tegelijkertijd voor een soort eeuwigheid: eenmaal versteend was de taal door de tijd heen telkens weer beschikbaar voor hergebruik. Zo werd het Latijn uiteindelijk transnationaal en universeel – en dus geschikt voor export en verwerking.

Ten tweede blijken de ‘duistere Middeleeuwen’ een uitvinding van de humanisten uit de Renaissance: haarfijn illustreert Stroh hoe de humanistische polemiek tegen het ‘potjes-Latijn’ van de Middeleeuwen eigenlijk gericht was tegen de abstracte en theoretische scholastiek. Petrarca kon in de 14de eeuw teruggrijpen op het ‘klassieke’ Latijn omdat die taal er gewoon nog was. Belangrijker nog: het humanisme was niet gericht op de ‘mens’, maar op de taal.

Ten slotte het belang van de canon: Stroh laat zien hoe Cicero en Vergilius het Latijn ‘gemaakt’ hebben door het te emanciperen uit de handen van het dominante Grieks. Met name zijn bespreking van Cicero’s filosofische werk als verwerking en actualisering van Plato, is goed in dit verband. Maar steeds speelt daarbij taal, niet inhoud, de hoofdrol.

Aan het eind van zijn boek, komt Stroh te spreken over wat tot dan toe slechts sluimerend onder de oppervlakte duidelijk is geworden: zijn passie voor, en naar verluidt unieke expertise in het spreken van het dode klassieke Latijn. Ter introductie van dit onderwerp vertelt hij een anekdote. Strohs sodalitas ludis latinis faciundis, een genootschap voor het bevorderen en uitoefenen van het gesproken Latijn, organiseerde tijdens het premierschap van de deelstaat Beieren van de legendarische politicus Franz Josef Strauss, een rechtse 10-tonner in Lederhose, een feestelijke bijeenkomst met zang en dans in het Latijn. De aartsconservatief Strauss, die het gezelschap steunde, was tevens aficionado van het gesproken Latijn, en werd uitgenodigd, maar zegde af wegens ceremoniële verplichtingen. Stroh en de zijnen nodigden nu de toenmalige cultuurminister van Beieren, Hans Maier. Maar ook deze bleek spontaan Latijn te spreken, en gaf aan de Beierse televisie tot verbijstering van de presentatrice zelfs een interview in die taal af. Stroh mompelde bij zichzelf bij het horen van diens Ciceroniaanse volzinnen: hoc ei Franciscus Iosephus non ignoscet (‘Franz Josef zal hem dit niet vergeven’). Inderdaad, Maier werd kort daarop ontslagen door de in zijn ijdelheid getroffen Strauss.

Hier en elders bespeelt Strohs combinatie van zelfbewustzijn en ironie de lezersverwachting magistraal. Men denkt al gauw bij het horen van de ludieke aanpak van Strohs sodalitas: een volwassen hoogleraar die zich bij gelegenheid in toga hult om openbare gelegenheden op te luisteren met een Latijnse oratie, is gek. Maar Stroh blijkt een groot geleerde en denker. Met Strauss in de gelederen plaatst men hem in de reactionaire hoek. Maar nee. Men denkt: hij is van het type ‘Vrienden van het Gymnasium’, een wat hoogdravende laudator temporis acti. Alweer mis: hij gelooft niet onvoorwaardelijk in het nut van Latijn, noch in het vaak gehoorde fabeltje dat je van het leren van Latijn logischer leert denken. Moreel beter word je er ook al niet van. Voor deze vaak gehoorde maar afgesleten argumenten is Stroh te slim. Maar als sluw retoricus laat hij ze telkens even in de lucht hangen, en draagt zo bij tot het idee dat Latijn toch wel iets heel bijzonders is. Zijn retorische strategie lijkt op die van Cicero, die net zo’n listig web van overtuiging kon smeden – en Cicero is dan ook Strohs held: briljant, ijdel, geestig en vooringenomen.

En net als Cicero weet Stroh ons te overtuigen: van het enorme, en tegenwoordig zo onderschatte belang van het Latijn als Europees, cultureel en talig fenomeen. Niet de morele of esthetische waarde, maar de continuïteit in de Europese cultuur die het Latijn vormt, bepaalt de grote waarde van die studie: het Latijn heeft de Europese geschiedenis samenhang gegeven. Zijn op het eerste gezicht excentrieke appendix over de actieve beheersing van het Latijn in een barbaars heden is in dat licht niet meer dan een ondersteuning van zijn hoofdthese: Latijn blijft zo levend, omdat het een dode taal is.

Wilfried Stroh schrijft niet zonder reden in het Duits; hij fulmineert bij herhaling tegen de introductie van ‘potjes-Engels’ als internationale taal. Hij heeft zijn boek ook gericht op de Duitse markt, waar het mirabile dictu een bestseller blijkt. Dat heeft een nadeel: de bespreking van de periode 1450-1700 krijgt een te nadrukkelijk Duits accent, terwijl de grote vernieuwingen zich in Italië afspeelden, en wel vanaf de 14de eeuw. Hoewel Stroh niet aan Petrarca en zijn opvolgers voorbijgaat, maakt de bloei van het zogeheten Neolatijn in Italië vanaf het midden van de 14de eeuw bij hem al gauw plaats voor gedetailleerde aandacht voor Duitse humanisten.

De lezer kan zich hiervan op de hoogte stellen dankzij een initiatief van de Amerikaanse geleerde James Hankins, die met een team van latinisten vanaf 2001 begonnen is met wat onbegonnen werk lijkt: de tweetalige uitgave van de grote Latijnse teksten van de Italiaanse Renaissance in de mooi geproduceerde en betaalbare deeltjes van de ‘I Tatti Renaissance Library’. Daarmee is een Renaissancependant van de beroemde Loeb Classical Library geschapen. Waarom onbegonnen, waarom nu pas, en waarom überhaupt?

Zoals gezegd heeft het Latijn vanaf de late 18de eeuw veel te lijden gehad van het Grieks, dat in het kader van originaliteit en spontaniteit de romantische harten veroverde: het Latijn was immers de taal van het classicisme geworden, met haar verstikkende regels en politieke hiërarchie. Het Latijn stond in het kader van imitatio, en de poëzie van de vele Latijnse dichters bestond voor een groot deel uit briljante manipulatie van citaten en toespelingen. Zo kon het gebeuren dat dekunst van de Renaissance, die een oorspronkelijke schepping was omdat de antieke voorbeelden verdwenen waren, wél in de canon bleef, terwijl de gigantische hoeveelheid Latijnse literatuur uit dezelfde periode als derivatief werd afgeschreven.

Ook het opkomend nationalisme, met de voorliefde voor de volkstaal, droeg bij aan dit proces van ‘delatinisatie’. Nu viel de Romantiek in tijd samen met de bloeiperiode van wat classici tekstconstitutie noemen: het verzamelen en ‘collationeren’ van manuscripten en daardoor vaststellen van een zo correct en origineel mogelijke tekst. Deze filologische ijver werd botgevierd op de Oudheid, maar daarbij viel de Renaissance zelf, die de discipline van de filologie nota bene op de kaart had gezet, buiten de boot. Het resultaat is dat de grote Latijnse meesterwerken uit de Italiaanse Renaissance niet alleen relatief onbekend zijn, maar ook nauwelijks behoorlijk uitgegeven (vele zijn alleen in manuscriptversie of eerste druk overgeleverd), laat staan vertaald en becommentarieerd – vandaar het onbegonnen werk.

Maar meesterwerken zijn er. Ik noem alleen recente uitgaven in de reeks: het werkje van Lorenzo Valla over de vervalsing van de ‘Donatie van Constantijn’, bijvoorbeeld, waarin de auteur slechts gewapend met scherpzinnigheid, filologie en historische kennis de poten onder de aanspraak van de pausen op wereldlijke macht weg zaagde, en daarmee de filologie tot machtig wapen verhief. De verbluffende moderniteit van Valla geldt, mutatis mutandis, ook voor de autobiografie van paus Pius II, de Commentarii, het bloedstollend relaas van de gang van een sluwe outsider naar de hoogste post in de christenheid, vol spectaculaire incidenten als Pius’ voettocht door het Brits schiereiland of de onvergetelijke beschrijving van het conclaaf waarin hij tot paus werd gekozen. Of voor de schitterende geschiedenis van Florence van Leonardo Bruni, niet alleen historisch maar ook stilistisch en retorisch van het allerhoogste niveau.

Ook de poëzie ontbreekt natuurlijk niet (zie kader). Maar met het noemen daarvan moet, ondanks alle respect en volmondige toejuiching voor het initiatief, het grote bezwaar tegen een aantal van deze edities worden genoemd: ze zitten soms vol fouten, niet alleen in de Latijnse tekst, maar ook in de vertaling. Een voorbeeld uit een jeugdgedicht van Pietro Bembo (later kardinaal!): hij beschrijft erotisch gewoel te water door nimfen en noemt er één die ‘crissat ab imposito fixa puella mare’. De brave vertaalster Mary Chatfield meent dit te moeten weergeven met ‘a girl, held in one spot by the weight of the sea, gyrates her hips’. Deze baarlijke nonsens is niet door Bembo geschreven, natuurlijk. Dat heupwiegen een heus Latijns werkwoord heeft (crisso) weet Chatfield gelukkig, maar helaas is mare geen vorm van het bekende woord voor zee, maar ablatief van mas (‘man’), en wordt het meisje dus ‘bereden’ (imposito) door een minnaar. Een blinde vlek voor de verfijningen van de erotica is vaker te bespeuren: veel Amerikaanse editors blijken te braaf voor de schunnigheden van het Neolatijn. Niet voor niets was het Neolatijn van de humanisten eeuwenlang de taal waarin de mannelijke geleerden konden spreken zonder dat hun vrouw kon meeluisteren. De ‘general editor’ van de reeks, Hankins, zo blijkt uit dit soort vergissingen, is more of a general than of an editor, maar dat moet ook wel bij deze reuzenarbeid. Niettemin hulde voor Hankins en Stroh, die laten zien hoe belangrijk, levendig en beeldschoon het Latijn van alle tijden zijn kan.

Wilfried Stroh houdt 11 februari, 9-11 uur, een gedeeltelijk Latijnse lezing aan de Universiteit Leiden, met oefeningen over voordracht en uitspraak van Latijnse klassieke poëzie. Lipsiusgebouw, zaal 1175.