De lieflijke aanblik van de dood

Rascha Peper schrijft mooi en onderhoudend over schoonheid. Ook in haar nieuwe roman ‘Vingers van marsepein’. Maar wát wil ze nu eigenlijk precies vertellen?

Rascha Peper: Vingers van marsepein. Nieuw Amsterdam, 317 blz. € 18,50

Waar Rascha Peper in excelleert, is het beschrijven van schoonheid en ook van de passie die het ervaren van schoonheid teweeg brengt. Of het nu een schelpenverzameling betreft, zoals in Rico’s vleugels, of Duitse romantische schilderkunst in Verfhuid, altijd laat ze haar lezers zien en voelen wat haar personages aanschouwen en daarbij doormaken. Wat Peper niet altijd lukt, is die schoonheidsbeleving vorm te geven in een betekenisvol verhaal.

Bij haar nieuwste roman Vingers van marsepein over het milieu van de geleerde Frederik Ruysch (1638-1731), beroemd om zijn aan tsaar Peter de Grote verkochte verzameling dierlijke en menselijke preparaten, vraag ik me zelfs af wát ze nu eigenlijk precies wil vertellen. In haar nawoord verwijst Peper naar De doodskunstenaar, de biografie die historicus Luuc Kooijmans in 2004 schreef van Frederik Ruysch. Dat bekroonde boek is haar voornaamste bron geweest, zonder dat ze de romanvorm gebruikt om iets noemenswaardigs aan deze levensbeschrijving toe te voegen. Of het moest zijn dat ze de in 1704 spelende hoofdstukken over het bij de familie Ruysch aan de Amsterdamse Bloemgracht inwonende meisje Bregtje, afwisselt met de avonturen van het 21ste-eeuwse jongetje Ben, dat dezelfde gracht woont.

Beide kinderen zijn tien jaar oud, maar hebben al zware deuken opgelopen in het leven. Bregtje, nichtje van Ruysch’ echtgenote Maria Post, is wees. Haar hele familie (vader, moeder, zusje en lievelingsbroer Rens) is gestorven aan de ‘hete koorts’. De hedendaagse Ben heeft zijn zusje Marije verloren, als gevolg waarvan zijn gescheiden moeder aan een depressie lijdt. Zowel Bregtje als Ben vindt troost in de preparaten van ‘magister’ Ruysch. De door hem gebalsemde kinderlijkjes (nog altijd te bezichtigen in de Kunstkamera in Sint-Petersburg) maken in hun ogen de gestorvenen onsterfelijk. Bregtje is er getuige van hoe haar oom een mannenhand met injecties en massage voor de eeuwigheid bewaart. ‘De bloed vervangende vloeistof drong door tot in de fijnste vaatjes en de hand keerde terug uit de dood en trad, alsof hij niets te maken had met het lichaam waaraan hij vastgezeten had, weer tot het land der levenden in. Zo ging dat dus. Zo ging de doodskunstenaar te werk’. Als driehonderd jaar later Ben diezelfde hand in Sint-Petersburg aanschouwt, ondergaat hij eenzelfde emotie als Bregtje.

Rascha Peper geeft nog veel meer ontroerende beschrijvingen van de kunstig versierde opgezette mensen en dieren, vakkundig geprepareerde ledematen en vaatstelsels, maar de verhalen die ze weeft om Bregtje en Ben zijn vaal, aanzienlijk minder levensecht dan de wezens die Ruysch terughaalde uit de dood.

Vooral Bregtje blijft een schim. Om haar geliefde broer, van wie ze veronderstelt dat hij nog in leven is, terug te krijgen, werkt ze als spion voor een concurrent van Ruysch. Ze probeert achter de geheime technieken van haar oom te komen en begaat daarbij een bijna fatale fout. Ook Ben, die net als zijn 300 jaar oudere overbuurmeisje in heldhaftige ridderverhalen zwelgt, doet iets gevaarlijks, maar beiden komen ze er gelouterd uit. Wat ze aan deze en andere bezoedelende ervaringen overhouden, is fascinatie voor de pure onschuld van de ‘kunstwerken’ van Ruysch en hun ferme voornemen diens werk voort te zetten.

Vingers van marsepein (genoemd naar de door Frederik Ruysch geprepareerde en door Bregtje beschilderde kindervingertjes) schiet als historische roman tekort. De historische personages komen niet uit de verf, hun drijfveren en ambities nog minder. Tegelijkertijd valt van het contemporaine jongetje Ben alleen maar te begrijpen dat hij talentvol is en gevoelig voor wat we sinds Huizinga de ‘historische sensatie’ noemen. Alleen al door te wonen op de Bloemgracht voelt hij zich verbonden met de wondere werelden van Ruysch en diens beroemdste afnemer de tsaar.

Zo’n gegeven op zich is al een roman waard en die is ook wel eens geschreven. Ik denk bijvoorbeeld aan De jeugdzonde van Basha Faber (2002), een thrillerachtige in het heden spelende roman over een vrouwelijke antiquaar die op de Bloemgracht als een leeuwin de nalatenschap van kaartenmaker Willem Blaeu bewaakt. Zoals bekend werd de Wereldatlas van Blaeu in diens werkplaats op de Amsterdamse Bloemgracht vervaardigd. Hoewel Faber een vracht kennis over historische kaarten tentoonspreidt, vrijwaart ze zichzelf van gedetailleerd onderzoek dat voor een historische roman vereist is. Peper ontslaat zichzelf niet van die plicht, omdat ze de helft van haar roman in 1704 laat spelen. Niettemin lukt het haar niet het 18de- eeuwse Amsterdam op te roepen.

De vraag die blijft hangen is of de uit wetenschappelijk oogpunt interessante preparaten van Ruysch kunst of kitsch zijn. Wat te denken van geraamtes van foetussen bovenop een rots van nier- en galstenen, te midden van als bomen vermomde bloedvaten of in fleurige manchetjes gestoken kinderarmpjes in fraai gedecoreerde potten? Tsaar Peter die bij een door Ruysch gebalsemd kinderlijkje knielde om het ontroerd te kussen vond het ongetwijfeld kunst. Ruysch’ talent om de dood een lieflijke aanblik te geven is voor veel kunstenaars onder wie Honoré de Balzac in elk geval een inspirerend en onuitputtelijk thema gebleken. Peper doet daar te weinig mee, al blijft staan dat ze opnieuw een staal van mooi en onderhoudend schrijven levert.