Alleen op de wereld

In ‘To the Castle and Back’, een zelfportret in memo’s, mijmeringen en een interview toont de voormalige Tsjechische president Václav Havel zich vóór alles een twijfelaar.

Václav Havel: To the Castle and Back. Knopf, 383 blz. €12,50

‘Ik heb de telkens terugkerende gedachte – waarom zou ik het verbergen? – dat het allemaal een misverstand was of eigenlijk een enkele uitgebreide vergissing.’ In weerwil van alle hooggestemde verhalen over de dissident die president werd blijft Václav Havel twijfelen. Deed hij er goed aan zich de rol aan te meten van het eerste democratisch gekozen staatshoofd na de revolutie van 1989, die een einde maakte aan veertig jaar communisme?

Dat komt ook doordat hem niet ontgaat dat hij in eigen land steeds minder geliefd is. Van de aanvankelijke euforie is na enkele jaren al weinig meer over. Die omslag in de stemming verklaart Havel deels uit ‘een plotselinge behoefte van veel mensen om op een wrokkige manier hun vroegere vernederingen te compenseren.’ De vroegere opposanten met hun verheven moraal waren natuurlijk ook een doorn in het oog van de gemiddelde burger die met kleine compromissen de jaren van het communisme had doorstaan.

To the Castle and back, het boek waarin Havel dit alles overweegt, is geen echte autobiografie. Het bestaat voornamelijk uit een interview. Verder zijn talloze memo’s opgenomen die Havel aan zijn staf stuurde en die een indruk geven van de dagelijkse chaos en beslommeringen in het regeringspaleis. Tenslotte zijn er mijmeringen achteraf, ontstaan tijdens een bezoek aan Amerika, die de verbindende tekst vormen tussen de antwoorden op de vragen van het interview en de memoranda. In het begin maakt het boek daardoor een wat verbrokkelde indruk, maar gaandeweg voegen alle fragmenten zich aaneen tot een onderhoudend portret van de man die de fluwelen revolutie van 1989 belichaamt.

Het is duidelijk dat Havel worstelt met zijn plotselinge rol als staatshoofd. Decorum is hem vreemd, tegelijk legt hij als voormalige schrijver van toneelstukken veel nadruk op de stijl en de rituelen van zijn nieuwe functie. Daarbij is het interessant om te zien hoe de schrijver probeert gelijke tred te houden met het staatshoofd: zoveel mogelijk probeert Havel zijn toespraken zelf te schrijven, tot gekmakens toe, als we de eindeloze reeks memo’s moeten geloven over weer een voordracht in weer een andere hoofdstad.

Sprookjesverhaal

Overal wordt hij groots onthaald: zijn levensverhaal is dan ook te mooi om waar te zijn. Hij verzet zich maar half tegen dat sprookjesverhaal: de roem dient immers ook het grotere belang, namelijk ervoor zorgen dat zijn land nooit meer de speelbal wordt van de grotere mogendheden en hecht wordt geïntegreerd in de Westerse wereld. Dat Havel, na moeizame onderhandelingen in Praag, in 1991 het einde van het Warschaupact mag aankondigen is voor hem de meest absurde episode. Men moet het zich voorstellen: de eenzame opposant van weleer maakt de opheffing van het Warschaupact wereldkundig in de stad die in 1968 onder de voet werd gelopen door de troepen van datzelfde Warschaupact.

Van dissident naar president: het is niet in alle opzichten een grote omslag in Havels leven. In beide gevallen was het toch een beetje alleen op de wereld, de eenling die het tegen alles en iedereen opnam. De ‘anti-politiek’ van de opposant – de gedachte dat onder het communisme een morele omweg nodig was en dat weinig te verwachten viel van politieke machtsvorming – past goed bij zijn bovenpartijdige rol als president.

Zijn wantrouwen tegen de macht van partijpolitiek, niet alleen in het Oosten maar ook, zoals hij uitdrukkelijk zegt, die van de massapartijen in het Westen, brengt hem natuurlijk in conflict de politici van het democratische Tsjechoslowakije. Zijn moraliserende toespraken vallen steeds vaker verkeerd en machtspolitici als Vaclav Klaus – de huidige president – proberen de hoogmoedige Havel op alle mogelijke manieren te kleineren. Diens commentaar is bitter, zoals vaak wanneer het over andere politici gaat: ‘Klaus is òf bang voor iemand òf hij probeert iemand te vernederen.’

Het wezenlijke van deze memoires zijn niet deze, soms wat ijdele, bespiegelingen over de slechte manieren die Havel omringen. Wat we vooral opnieuw beleven is het wonder van de vreedzame overgang van dictatuur naar democratie, van de manier waarop mensen zonder enige ervaring het land moeten regeren, of beter, improviseren. Alles moest worden uitgevonden en er was zo weinig tijd.

Havel is tamelijk openhartig over zijn worsteling met de erfenis van veertig jaar communisme. Wat te doen met al die loyale partijleden die het hele staatsapparaat van onder tot boven bemannen? Hoe moet een nieuwe grondwet gestalte krijgen? Hoe moet de privatisering van alle staatsbedrijven op een rechtvaardige manier ter hand worden genomen? En vooral, hoe moet de relatie tussen Tsjechië en Slowakije eruit gaan zien?

Er zijn veel vergissingen gemaakt. Vooral de manier waarop de voormalige elite zich meester heeft gemaakt van de staatseigendommen – Havel spreekt herhaaldelijk van ‘maffiakapitalisme’ – vormt een dieptepunt. Ergens spreekt hij over het geluk dat een nieuwe generatie opgroeit die niet is misvormd door ‘de jaren van het communisme en de privatisering’. Dat hij als zoon van een rijke familie hoorde tot degenen die voordeel hadden bij de teruggave van het in 1948 genationaliseerde familiebezit is een van de dingen die hem naderhand zijn kwalijk genomen.

Onvermijdelijk

Ook het uiteenvallen van Tsjechië en Slowakije wordt hem verweten. Zelf is Havel van mening dat het onvermijdelijk was, al moet ook hij vaststellen dat de Tsjechische elites veel te weinig begrip hadden voor de Slowaakse frustraties: ‘Ook ikzelf was niet helemaal vrij van bepaalde historisch overgeleverde vooroordelen en misverstanden.’ Hiermee doelt hij op Praagse paternalisme tegenover het achtergebleven Slowakije. De vraag blijft of het niet mogelijk was geweest om het uiteenvallen van Tsjechoslowakije te voorkomen.

Havel weet wel redelijk aannemelijk te maken waarom hij, in weerwil van zijn ‘antipolitieke’ instinct, zo lang aan de macht is blijven hangen. Alles bijeen is hij dertien jaar lang – van 1990 tot 2003 – staatshoofd geweest en tweemaal herkozen. Vooral over zijn laatste periode twijfelt hij, maar de gedachte was dat hij als geen ander over het buitenlands vertrouwen beschikte dat de definitieve opname van Tsjechië in de NAVO en de EU kon verwezenlijken.

Naast dat lofwaardige streven blijkt Havel ook steeds beter de kleine intriges van de macht te beheersen. Zo beveelt hij de benoeming van een ambassadeur bij de Verenigde Naties aan met als motivering: ‘Hoe verder deze persoon van het land is verwijderd, hoe beter het is.’

To the Castle and Back blijft een verhaal van de betrokkene zelf met alle verleidingen van romantisering die daarbij horen. Wie een kritische biografie van Havel zoekt kan nog steeds terecht bij het uitstekende relaas van John Keane: Václav Havel: A Political Tragedy in Six Acts (1999). Maar deze memoires in fragmenten bieden toch een goede indruk van leven en werk van een van de vormgevers van het laatste deel van de voorbije eeuw. Wat te midden van alle triomfen blijft is de eeuwige twijfelaar, iemand die met het vorderen van de jaren eigenlijk steeds onzekerder wordt: ‘Het lijkt wel of ik steeds angstiger ben voor de buitenwereld en andere mensen. Ik vind het al moeilijk om een telefoongesprek te voeren.’

Misschien wegen de jaren als dissident uiteindelijk toch zwaarder dan de jaren als president.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Havel

Bij de bespreking van To the Castle and Back, de memoires van Václav Havel, (8 februari, bijlage Boeken, pagina 17) is een verkeerde prijs vermeld. De juiste prijs (hardback) is 25,99 euro. De paperback verschijnt in mei 2008.