Zo had hij op late leeftijd ontdekt dat hij een wonderkind was

Er is veel veranderd sinds ik in Amsterdam-Zuid op de lagere school zat, realiseerde ik me gisteren, toen ik op bezoek was op de Nicolaas Maesschool in diezelfde buurt. Ten eerste leerden wij niet rekenen van een Nintendo, maar van heel oude, nog door Maria Montessori zelf geplastificeerde rekenkaarten waar de vieze vingerafdrukjes van vele generaties voor ons op zaten. Ten tweede kwamen er nooit rekenwonders optreden. Slechts één keer per jaar kwam er iemand langs, en dat was dan altijd Hanny Schaft of een collega van haar, en dan ging het altijd over de oorlog.

Maar goed, dingen veranderen, en naar aanleiding van de Cito-toets die volgende week begint had de Nicolaas Maesschool een rekenwonder uitgenodigd en hielden ze een lancering voor het Nintendospel Professor Kageyama’s Rekentraining. Dat hadden wij ook niet in mijn tijd: lanceringen voor computerspelletjes op school.

Ik kwam voor het rekenwonder, want ik had er nog nooit een ontmoet. Het rekenwonder heette meneer Bouman en was een beminnelijke bejaarde met een groen vlinderstrikje die uit een Engelse kerstfilm weggelopen leek te zijn. Bij een aantal van de verschrikkelijke sommen die de kinderen hem opgaven gaf hij het verkeerde antwoord, maar dat maakte hem alleen maar authentieker.

333746 : 23839 in luttele seconden uitrekenen was leuk, maar het mooiste was meneer Boumans levensverhaal. Hij kon op zijn derde al klokkijken en op zijn negende alle getallen met twee cijfers vermenigvuldigen. Hij was getrouwd op 2 september 1965 en had vijf kleinkinderen van 8, 6, 4, 2 en 0. (Met die leeftijden was hij heel verguld.) Zijn talent had hij van de here God gekregen, en zijn bijnaam in de rekenwonderwereld was Willem Flits, Koning van de Priemgetallen. Hij had ook een boek over autobanden geschreven.

Daarna deed hij verslag van de diverse wereldkampioenschappen hoofdrekenen waar hij aan meegedaan had nadat hij met de vut was gegaan. Die verhalen eindigden elke keer met de uitspraak ‘En waaráchtig, ik werd nummer zeven’, of: ‘En waaráchtig, ik werd nummer vijf’. Zo had hij op late leeftijd ontdekt dat hij een wonderkind was, en nu oefende hij elke dag en hield hij in zijn huiskamer rekenwonderweekends met andere rekenwonders.

Of de kinderen nog vragen hadden? Ja. ‘Wat vindt u moeilijker: plus, min, gedeeld door of keer?’ vroeg een meisje. Daar moest het rekenwonder een paar minuten over nadenken, aanzienlijk langer dan over 298937523 x 422873.