Vaders in overvloed

Er zit weinig schot in de moordzaak. Soms valt er weken geen agent te zien in het dorp. Dan ineens gebeurt er weer iets.

Het blijft bij ontdekkingen in de zijlijn. Twee onbekende vaders waren in het geding, de vader van de vermoorde Patricia en de vader van het kind waarvan ze in verwachting was. Twee vragen waren er. Van die vragen was er meteen al één beantwoord. Opwinding woelt los.

Nu lijkt de volgende vader aan de beurt. Hij treedt uit het duistere woud van vermoedens en vraagtekens te voorschijn. O, vermoedens genoeg. Sommigen wisten zeker dat Hilário, die zich nog altijd gedroeg als een halve soldaat uit Angola, zich aan zijn pleegdochter had vergrepen. Zo noemde hij Patricia, ‘pleegdochter’, omdat hij wel eens omgang had met haar moeder. De meest voortvarende kwebbelaars in het legertje gemene dorpsvrouwen verzekerden elkaar dat Patricia voor de oorlogsveteraan niet meer dan een voetveeg was geweest. En dat van het een het ander kwam, zoals altijd in de mond van gemene dorpsvrouwtjes.

Ze hadden er verder geen moreel oordeel over. Ze vonden het vanzelfsprekend, dat van het een het ander kwam.

En Hilário had wel vaker aanvallen van tropenkolder.

Als de politie het terrein betreedt van het Grote Huis, dat eigendom is van de familie met de lange naam, denkt niemand dat de ex-ambassadeur, het Boegbeeld van de Familie en de Man van Grote Verdiensten voor het Dorp, op de verdachtenlijst is komen te staan. Hij is groot, hij heeft het ver geschopt, hij is niet in staat zich als een sterveling onder volksmensen te begeven, laat staan een hunner te bevruchten, en woont al sinds mensenheugenis in de hoofdstad. De plaquette waarmee ze hem jaren geleden hebben gehuldigd wordt aan het zicht onttrokken door klaprozen en klimop, symbolischer kan het niet. Die man is heilig.

Stel – stel dat die aartsvader zich – dat hij ooit – stel dat hij een vinger had uitgestoken – dat hij vleselijke lusten had toegelaten – dat hij – almachtige god in de hemel – dat hij als een gewone boer – het hele dorp zou een kruisje slaan en de moordzaak onmiddellijk voor gesloten hebben verklaard om verder te gaan met oogsten, snoeien, slachten en lummelen, alsof er niets was gebeurd.

De politie komt voor de tuinjongen. Bispo dois heet hij. ‘Bisschop’ omdat zijn familienaam zo luidt en ‘twee’ omdat hij de junior is. Bispo dois is altijd wel ergens op de landerijen van het Grote Huis te vinden. Hij krijgt wat geld toegestoken door de kosteres, die de zaken waarneemt voor de heilige familie. Bispo dois werkt niet graag voor anderen, al is hij een jongen met gouden vingers. De anderen houden hem voor de gek omdat ze denken dat hij ze niet allemaal op een rijtje heeft. Achter zijn rug steken ze de draak met hem. Hij voelt het wel, hij is niet gek. Ze kunnen doodvallen. Op de landerijen van het Grote Huis, waar altijd wel iets te spitten en te harken valt, wordt hij gelukkig met rust gelaten.

Tot er een agent op zijn schouder tikt, die weet dat Bispo dois vader had kunnen zijn als er geen moord tussenbeide was gekomen.

Gerrit Komrij