Ook rijke landen zijn dol op EU-fondsen

De Nederlands-Duitse grensregio’s kregen onlangs 160 miljoen euro subsidie om samenwerking te stimuleren.

Maar hebben rijke EU-landen dit geld wel nodig?

„De grens is een hindernis, maar levert ook kansen op”, zegt Wilbert Pontenagel. Hij is voorzitter van Timp, een netwerk van Twentse en Duitse bedrijven actief „in het medische segment”. Nu ging het de Nederlandse medische bedrijven in Twente ook zonder de samenwerking met Duitse collega’s het redelijk af. Pontenagel: „Maar je bent wel levensvatbaarder als je je richt op een grotere markt. De Duitse markt is vele malen groter dan de onze.”

De benodigde duw in de rug kwam via Brussel. Met een Europese financiering uit de zogenoemde Interreg-subsidiepot (zie inzet) van ruim drie ton werd de samenwerking met Duitse bedrijven opgezocht en geïntensiveerd.

Sinds 1990 worden met Europese gelden diverse projecten in grensregio’s gesubsidieerd, van het aanleggen van nordic walkingpaden tot glasvezelkabels voor supersnel internet. Organisaties en bedrijven krijgen geld als ze grensoverschrijdend samenwerken. Zo wil de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie, achtergebleven regio’s meehelpen in de vaart der volkeren. De grensregio’s, zo meent ‘Brussel’ lijden onder de nationale grenzen toen die nog bestonden.

Ook in de nieuwe subsidieperiode, die loopt van 2007 tot 2012, kunnen bedrijven en organisaties in de Nederlands-Duitse grensregio’s rekenen op een flinke Europese subsidie. De Europese Commissie heeft ruim 160 miljoen euro vrijgemaakt voor de zeven Nederlandse en vier Duitse regio’s aan de grens tussen beide landen. Dit is het op één na hoogste bedrag voor dergelijke gebieden in West-Europa. Met co-financiering van de nationale en lokale overheden kunnen de Nederlands-Duitse regio’s ruim 294 miljoen euro besteden aan grensoverschrijdende projecten.

Hebben Nederland en Duitsland, rijke landen in de EU, werkelijk nog dergelijke financiële prikkels uit Brussel nodig? Kunnen de landen dit soort projecten niet zelf financieren als daar werkelijk behoefte aan is? Veel Nederlandse politici en bestuurders uitten zich de laatste jaren kritisch over de eigen bijdrage aan de Unie om vervolgens via Brussel een deel van datzelfde geld terug te eisen voor projecten hier. Werkt Nederland zo zelf niet mee aan ‘rondpompen’ van gelden?

„Het is inderdaad dubbel”, vindt Hendrik Vos, hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Gent. „Rijke landen willen zo min mogelijk afdragen aan Brussel. Maar als er geld te verdelen is, willen diezelfde landen zoveel mogelijk geld graaien.” Vos noemt dat een „een menselijke reflex”. Vos: „Voor principes moet je niet in Brussel zijn’’.

Dat het om rondpompen van geld gaat, is wel duidelijk voor Egbert Wever, bijzonder hoogleraar Euregionaal management aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. „Iedereen die betaalt, moet ook wat terugontvangen. Wat dat betreft is de verdeling van Europese gelden koehandel”, zegt Wever.

Maar zonder die Europese subsidies zouden veel projecten die nu wel worden uitgevoerd niet van de grond komen, meent Hermann Wessels. Hij is belast met uitvoering van Interreg-projecten in de Eems-Dollardregio. Nationale en regionale overheden zouden minder snel geld vrijmaken. Daardoor zouden „nuttige projecten” uitblijven. „Zonder subsidies en zonder samenwerking met collega’s over de grens is het onmogelijk voor individuele bedrijven om kansen te benutten in de grensregio’s.”

Volgens de professoren zijn de regionale subsidies van de Commissie lang niet alleen economisch. „Vooral Interreg is een politiek instrument”, meent Wever. „Men gaat er automatisch van uit dat de grensregio’s proeftuinen zijn waar Europeanen aan elkaar kunnen snuffelen.”

Ook rijkere landen krijgen nog steeds geld uit Europese subsidiepotten, zegt Vos, terwijl ze eigen middelen hebben om projecten te kunnen financieren. Nationale politici, vertelt Vos, willen met die subsidies draagvlak creëren voor de nationale bijdrage aan de begroting van de Europese Unie. ‘Brussel’ wil op haar beurt met tastbare Europese projecten draagvlak creëren voor de Unie. „De vrees die in Brussel leeft, is dat wanneer je alleen maar armere landen steunt, je het draagvlak voor de Unie in rijkere landen onderuit haalt.”

Daarmee willen de hoogleraren niet gezegd hebben dat de subsidies geldsmijterij zouden zijn. Wessels van Interreg in de Eems-Dollardregio zegt dat de subsidies een goede stimulans zijn voor de nationale overheden ook aandacht en geld te schenken aan de „relatief achtergebleven” grensregio’s.

Meer informatie over Interreg via www.deutschland-nederland.eu