Groningen moet weer mooier

Wordt Groningen lelijker? Statenleden in de provincie maken zich zorgen over nieuwbouwwijken, bedrijventerreinen en gedempte sloten.

Een grote varkensstal in de Reiderwolderpolder boven Finsterwolde. Het Groningse Statenlid Jochem Abbes (CDA) vindt dit een goed voorbeeld van verrommeling van het landschap. „Onbegrijpelijk dat die er staat. Erg lelijk”, vindt hij. Dat geldt ook voor een grote nieuwbouwwijk en een industrieterrein pal achter een kerkje in Zuidbroek.

Provinciale Staten zijn bezorgd over de kwaliteit van het open landschap. Sluipenderwijs wordt dit aangetast door stads- en dorpsuitbreidingen, woningbouw, slecht ingepaste bedrijventerreinen, de aanleg van wegen, sloop van beeldbepalende panden, straat- en dorpsbeelden, agrarische gebouwen en het dempen van sloten, vinden zij. Een werkgroep met vertegenwoordigers van alle partijen roept de Groningers op lelijke bouwsels of voorbeelden van onterechte ingrepen in het landschap te melden. Inmiddels hebben ongeveer 50 Groningers dat gedaan, vertelt voorzitter Mabel Schalij (PvdA) van de werkgroep. „Het gaat bijvoorbeeld om mestvergistingsinstallaties, een rondweg of windturbines.”

Verrommeling van het landschap is een landelijk thema. Minister Cramer (VROM, PvdA) stelde vorig jaar het programma Mooi Nederland op, dat is gericht op terugdringen van aantasting van het open landschap. In mei vorig jaar kreeg ze hiervoor een advies van de werkgroep Laten we Nederland Mooier Maken, die bestaat uit vijftien ondernemers binnen de vastgoedsector, onder wie beleggers, projectontwikkelaars en landschapsarchitecten.

Aanleiding voor de discussie in Groningen is een nieuw provinciaal omgevingsplan (POP), dat momenteel wordt opgesteld. Daarin ontbrak het landschap als centraal thema. De Staten pakten het onderwerp zelf op. In het POP moet worden vastgelegd hoe de provincie het landelijk gebied beter kan beschermen. Door expertmeetings, het horen van burgers en belangenorganisaties, werkbezoeken en hoorzittingen willen de Statenleden geïnformeerd worden over bescherming en bedreiging van het buitengebied.

Volgens Schalij doet Groningen het qua verrommeling landelijk gezien overigens niet eens zo slecht. „We zijn al bezig met de kwaliteit van het landschap en concentreren woningbouw en bedrijvigheid al in economische kernzones.” Ze constateert niettemin dat er toch sprake is van verrommeling. „De vraag is dan of je als provincie iets laat lopen. Want waarom is je beleid niet effectief?”

De nieuwe Wet ruimtelijke ordening, die op 1 juli in werking treedt, biedt provincies een nieuw instrument om de kwaliteit van het landschap te borgen, zegt Marja van der Tas, lid van de VROM-raad. „Dat kan bijvoorbeeld via het opstellen van verordeningen.” Schalij denkt dat de nieuwe wet kansen biedt om bijvoorbeeld beschermingsclausules op te stellen. „Daarin kun je vastleggen wat wel en niet mag in een cultuurhistorisch waardevol landschap.”

Medy van der Laan, directeur van TCN Property Projects en oud-staatssecretaris van Cultuur en Media, adviseert de provincie om de bouw van nieuwe bedrijventerreinen in kleine gemeenten te weren. „In gemeenten met minder dan 10.000 inwoners zou je dat moeten verbieden. Bebouwing van groen landschap is onomkeerbaar.” Ze vindt dat projectontwikkelaars zelf actiever moeten worden om te zorgen dat bedrijventerreinen harmonieus in het landschap worden ingepast. „De artist impressions van een gebouw of terrein worden nu te weinig in hun totale omgeving geplaatst. Projectontwikkelaars moeten hun verantwoordelijkheden nemen.”

Statenlid en werkgroeplid Piet de Vey Mestdagh (D66) vindt de mogelijke komst van megastallen een grote bedreiging van het Groninger landschap. Met „witte schimmel”, de veelal wit gekleurde nieuwbouwwijkjes bij dorpen, heeft hij minder problemen. „Dan vind ik de jarenvijftigwoningen veel lelijker. Dat is net Oostblokbouw. Maar met die nieuwe woningen denk ik vaak: het lijkt wel of ik in Portugal ben.”