Germanus laat de motiefjes rollen

Concert: Asko Ensemble o.l.v. Bas Wiegers, met Charlotte Riedijk, Esmee Bor Stotijn, Caroline Cartens, Yvonne Smeets. Werken van Germanus, Vleggaar en Torstensson. Gehoord: 6/2 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam.

„Waarom kan kunst niet lichtvoetig zijn?” Componist Sander Germanus stelt zich de vraag in de toelichting bij zijn nieuwe werk Piccadily Circus. Zijn antwoord: dat kan eigenlijk best. Hij is niet de enige die er zo over denkt. Zie Micha Hamels kolderieke ‘tragische operette’ Snow White of het werk van Giel Vleggaar – vorig jaar disco, nu de popsong als uitgangspunt.

Ondanks zijn hang naar lichtvoetigheid blijft Germanus (1972) een overtuigd modernist. Hij ontwikkelde een theorie over microtonaliteit (meer dan twaalf tonen per octaaf) en complexe temporelaties, en is op zoek naar muzikale vernieuwing. Piccadilly Circus opent met een reeks akkoordverbindingen die dat microtonale systeem demonstreren. Maar al snel komt een speels proces op gang, waarin blokjes en motiefjes prettig over elkaar heen blijven rollen.

De microtonen maken het ondanks de systematische aanpak moeilijk om te ‘focussen’. Enerzijds ontstaat daardoor de sensatie van muzikale gewichtsloosheid die Germanus ‘muziekthermiek’ noemt, anderzijds lijkt er voortdurend meer te gebeuren dan je kunt bevatten. Belangrijk bijeffect: je wilt de muziek nog eens horen.

Giel Vleggaar (1974) vertrekt altijd vanuit een bestaand model, of dat nou bluegrassmuziek is (Appalachia, 2004) of disco (Dead as Disco, 2007). Het gevaar is dat het vlees noch vis wordt, maar in Wanted: Ferne Geliebte pakt zijn methode goed uit. De cyclus bestaat uit vijf popliedjes, die met kleurrijke ensemblemuziek en dissonant driestemmige zang naar een nieuw domein worden verplaatst. De drie zangeressen misten helaas de zelfverzekerdheid en sensualiteit van goede popartiesten. Dat zou de compositie nog effectiever hebben gemaakt.

Juist helemaal in haar element was sopraan Charlotte Riedijk in Urban Songs van Klas Torstensson (1951). Het werk vormde een perfect drieluik met de stukken van Germanus en Vleggaar: het heeft de snelkookpandynamiek van de eerste, de hoekige popinvloed van de tweede (hier middels wat gedateerde beats).

Het Asko Ensemble, met de twee slagwerkers voorop, musiceerde perfect onder de heldere slag van Bas Wiegers. Riedijk imponeerde als stemkunstenaar, als menselijke sampler en in de enorme uithalen die – in een soort strijd tussen ‘echt’ en ‘onecht’ – elektronisch herhaald worden.