Een zegen voor de bevolking hier

Hoe duurder de grondstoffen, hoe groter de belangstelling voor de oude mijnen van Oost-Europa. Tot uit China toe. Maar onder de bevolking rijst verzet. Slot van een korte serie.

Beste burgers van Recsk,” zo begon de waarschuwing van het Hongaarse spoorwegbedrijf Máv aan de inwoners van het oude mijnstadje: zaterdagnacht wordt de spoorlijn naar Recsk gesloopt. Dat zou geluidsoverlast veroorzaken. „Bij voorbaat onze excuses.” In Recsk, in het arme noordoosten van Hongarije dat kampt met hoge werkloosheid, maalde niemand er om. De ergste klap hadden ze gehad toen staatsbedrijf Máv het oude spoorlijntje besloot op te heffen. Niet langer rendabel. De Hongaarse regering moest bezuinigen om de enorme staatsschuld in te dammen.

Die zondag waren de bielzen en rails inderdaad weg. Maar op maandag drong in de kocsma, de plaatselijke kroeg, de waarheid door: de excuusbrief was niet van Máv, maar van bandieten van oud-ijzer en kostbare metalen. Ze hadden het officiële Máv-briefpapier gebruikt om hun slag te slaan.

„We zijn bestolen, zoals wij al achttien jaar bestolen worden,” klaagt Pál Gyimesi. Hij is bewaker op het terrein van het werkloze Lahoca-mijnbouwcomplex aan de rand van Recsk.

Hij toont een groepsportret van hem met zijn collega’s poserend in de modern uitziende controlekamer van de mijn. „Tussen 1970-1975 zijn er nog zeer kostbare moderniseringen aangebracht,” zegt Gyimesi. „De sluiting betekende kapitaalvernietiging, want de infrastructuur was goed en de bergen zitten nog vol koper en goud.”

In Recsk zou er dan ook reden voor minder geklaag kunnen zijn. Investeerders uit het buitenland komen langs. De wereldprijzen voor grondstoffen stijgen almaar. Gyimesi heeft al een Chinese delegatie rondgeleid. „Nu zijn we met Canadezen in de weer.” Vooral mijnbouwbedrijven uit Canada en Australië tonen interesse.

Al jaren verwaarlozen we onze bodemschatten, zegt János Földessy, hoogleraar geologie aan de Universiteit van Miskolc in Hongarije. Politici willen economisch succes boeken tíjdens hun vierjarige termijn. Maar mijnbouw vergt een lange termijnvisie en daaraan ontbreekt het volledig, vooral in de Hongaarse politiek. Nu wordt de mijnbouw herontdekt. Maar overheden in Oost-Europa durven zelf de risico’s niet aan, dus staat alles te koop. „De vraagprijs voor Lahoca is 16 miljoen euro,” zegt hij. „Dat is een prikkie, want de goud- en koperprijzen op de wereldmarkt zijn exorbitant gestegen.”

Urán város’ (uraniumstad) – de naam van een arbeiderswijk in de zuid-Hongaarse stad Pécs verraadt het voormalige bestaansrecht van de inwoners. Iedereen werkte er in de uraniummijnen. Tien jaar geleden gingen die dicht. De uraniumprijs was naar een dieptepunt gekelderd. Aan een financieel debâcle kwam een eind. Maar het menselijk drama begon toen pas: bij veel oud-mijnwerkers werd kanker geconstateerd.

De verarmde regio probeerde het als toeristisch gebied, met wijnproeverijen in de glooiende heuvels waar een mediterraan klimaat heerst. Praten over uranium reet oude wonden open, daarover werd gezwegen – tot de komst, onlangs, van het Australische mijnbouwbedrijf Wild Horse.

Wild Horse sleepte in Boedapest licensies in de wacht om in de heuvels van Pécs proefboringen te doen. „De resultaten zijn veelbelovend, zowel qua kwantiteit als kwaliteit,” zegt András Barnabás, de Hongaarse manager die namens de Australiërs het project beheert.

De lokale bestuurders wisten van niks. Toen het bekend werd. bracht het prompt grote onrust teweeg. Er ontstond verzet tegen de ‘uranium-renaissance’. „Dit past niet in ons toekomstbeeld,” zegt de burgemeester van Pécs. Lokale milieuactivisten verzetten zich eveneens fel.

Volgens manager Barnabás is uraniumwinning een zegen voor Pécs. „De wereldmarkt voor uranium trekt aan, door grotere interesse in kernenergie. We kunnen mensen hier weer aan een baan helpen. En daarbij kunnen we met de huidige techniek milieuverantwoord ons werk doen.”

De zorgen van de mensen in Pécs begrijpt professor Földessy maar al te goed. Er is geen goede voorlichting, zegt hij. „Het afgeven van licensies voor proefboringen aan buitenlanders wekt wantrouwen zolang je dat niet inkapselt in een stevig beleid.” Volgens hem moeten overheden in Hongarije, Roemenië en Slowakije op de brokstukken van het verleden een moderne mijnindustrie bouwen. Hij wijst op Finland. Dat land heeft de meest geavanceerde mijnbouw van Europa, zegt hij. „Het is tegelijk een van de milieuvriendelijkste landen.”

Europa kan het zich volgens Földessy niet langer veroorloven om „het vuile werk” uit te besteden aan Afrika, Zuid-Amerika en Azië. „Afrika is altijd Europa’s grootleverancier van mineralen geweest. Maar de Chinezen worden nu de baas over de Afrikaanse mijnbouw. De leveranties aan Europa worden daardoor onzeker. Europa is kwetsbaar.”

Maken zodoende de goud- en kopermijnen van Recsk-Lahoca ook kans op een tweede leven?

Decennia lang, onder het communisme, had de mijnbouw er goed gedraaid: bulkproductie zonder winstoogmerk. Het meeste ging naar de Sovjet-Unie. Maar na 1989 werd de balans opgemaakt: goud- en kopermijnen zoals als Lahoca waren te duur en inefficiënt. Ze werden ontmanteld. „Iedereen in Recsk verloor zijn baan, en er kwam niets voor in de plaats,” klaagt Gyimes. In een gammele Oost-Duitse Trabant uit 1970 rijdt hij rondjes op het terrein, speurend naar dieven die afkomen op bruikbare metalen.

Op de website van het Canadese Carpathian Gold, dat in Lahoca bodemonderzoek doet, ziet de toekomst er rooskleurig uit. Maar bewaker Gyimesi heeft nog zijn reserves. Bij de toegang tot een oude mijnschacht parkeert hij zijn Trabant. „Wie de moeite neemt om hier weer ondergronds te gaan stuit op een prachtig schachtencomplex van 46 kilometer lengte. Maar ze moeten wel snel zijn, want alles staat hier nu langzaam weg te roesten.”

De eerste aflevering van deze serie, over de uraniummijn in het Slowaakse Jahodna, is na te lezen op nrc.nl/economie.