Windmolens zijn lelijk, duur en leveren niks op

De overheid wil het aantal windmolens in Nederland verdubbelen. Wacht even. Laten we eerst maar eens kijken wat ons dat oplevert, vindt Bernard van Praag. Willen we die molens wel?

Het kan niemand zijn ontgaan: er komen steeds meer windmolens in het Nederlandse landschap. Tot voor enige jaren was het een wat komische, eenzame curiositeit, de exotische hobby van een milieufreak, maar de laatste jaren verschijnen er dagelijks nieuwe exemplaren. Zijn het er nu nog ruim duizend, enige dagen geleden meldde het kabinet dat het dat aantal wil verdubbelen. Dat betekent een forse verandering van het Nederlandse landschap.

De windmolens worden namelijk steeds groter. Met een hoogte van soms wel 150 meter inclusief wieken benaderen ze grootte van de Euromast in Rotterdam. De wieken hebben een spanwijdte van een voetbalveld. Met deze afmetingen zijn ze al over tientallen kilometers zichtbaar. Een groeiend aantal Nederlanders vindt de windmolens landschapsvervuiling.

De blijvende aard van deze verandering, de afschrijvingsduur is tien jaar, roept de vraag op of verdubbeling van het aantal molens wel wenselijk is. En zijn ze eigenlijk wel nodig?

Vaak wordt gesuggereerd dat het gebruik van windenergie noodzakelijk en onontkoombaar is voor de Nederlandse energiepolitiek. Ik betwijfel dit. Ja, het is schone energie, maar we moeten, behalve naar de milieuaspecten, ook kijken naar de kosten, de betekenis voor de nationale energievoorziening, de verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen en de concurrerende energietechnologieën.

Eerst de kosten. Voor hun bedrijfsvoering zijn de windmolens volledig afhankelijk van overheidssubsidie. Op het moment is er een kleine groep van windmolenproducenten, projectontwikkelaars, en agrariërs die volop profiteert van die subsidies. Volgens het vakblad De Boerderij (december 2003) verdiende een boer met een molen op zijn erf in 2003 al ca. 70.000 euro per jaar.

De vraag rijst waarom de belastingbetaler dit moet opbrengen. Zelfs in Denemarken, het walhalla van de windenergie, is onlangs twijfel ontstaan over het nut van de windmolen. De subsidie is stopgezet en er worden geen nieuwe molens meer gebouwd. In 2006 sloot Joop Wijn terecht de subsidiekraan, nu draaien de ministers Van der Hoeven en Cramer deze weer wijd open. Prima, als de verwachting is dat de kosten in de toekomst beduidend omlaag zullen gaan, maar de perspectieven hierop zijn weinigbelovend, in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij zonne-energie.

Over de betekenis van windenergie voor Nederland bestaan veel misverstanden. Er wordt geschermd met grote vermogens van een, twee en binnenkort nog meer megawatt per turbine. Wat vergeten wordt is dat het hier om maximale opbrengsten gaat, bij een windsterkte van ongeveer 8 Beaufort (daarboven moet de molen worden gestopt). Maar zo hard waait het niet vaak in Nederland. Bij minder wind ligt de opbrengst een stuk lager. De gemiddelde productiviteit over een jaar is slechts 20 procent van het maximum.

De productie wordt sinds jaar en dag gemeten in een speciale meeteenheid: de behoefte per doorsneehuishouden. Zo zien wij bij molens staan: voorziet 3.000 huishoudens van stroom. Maar die onduidelijke maat verhult dat de totale huishoudelijke behoefte in Nederland minder dan 10 procent is van de totale energiebehoefte. De industrie vraagt veel meer. Aan de totale Nederlandse energiebehoefte dragen de windmolens slechts voor één of twee procent bij en dat zal ook bij een verdubbeling tot 2.000 molens zo blijven.

Hoe verhoudt windenergie zich tot andere vormen van duurzame energie, zoals zonne-energie, getijdenenergie, geothermische energie, kernenergie en moderne steenkooltechnologie? In vergelijking hiermee is windenergie een instabiele bron. Het ene moment waait het stevig en het andere moment niet. Aangezien het bijna onmogelijk is de energie op te slaan, moet bij harde wind de opgewekte energie meteen het net ingestuurd worden en dit leidt tot schokken die kunnen leiden tot kortsluiting van hoogspanningsnetwerken. Bovendien eist de onbetrouwbaarheid van de wind dat de stroomproductie bij windstilte toch in de totale behoefte kan blijven voorzien. Windenergie is dus geen echt substituut voor andere productie- methodes. Ook is ze niet goedkoper dan die andere energievormen. Belangengroepen voeren vaak aan dat het met die kostenverhouding wel goed komt wanneer de olieprijs maar voldoende stijgt. Maar die olieprijsstijging maakt ook alle andere technologieën voordeliger.

De keuze is niet voor of tegen duurzame energie. Voor duurzaamheid is iedereen. De keuze moet gaan over de vraag welke van de technologieën we wel in ons land willen hebben en welke niet. Daarbij zal niemand het erg vinden om tijdelijke subsidies te verstrekken aan een ‘infant industry’, maar op den duur moeten de gekozen technologieën zich zonder subsidie op de markt van concurrerende technologieën kunnen bewijzen. Voor windenergie lijkt dit uitermate dubieus.

Prof. dr. B.M.S. van Praag is Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.