We hoeven niet in therapie, de dokters zien het zo

Als half Nederland lichtelijk hysterisch is geworden melden zich, in rotten van vier of meer, de artsen van de volksziel, onze psychologen en psychiaters.

Ik telde er tot dusver zes op televisie, acht op de radio en één in een krant. In diverse weekendkleurenbijlagen kunnen we denk ik nog de nodige naijlers tegemoet zien. Allemaal diagnosticeren ze voor ons, groot lekenpubliek dat naar informatie snakt, de ziekte van Joran van der Sloot. Ik heb al vijf plausibele complexen, afwijkingen en andere stoornissen voorbij horen komen.

Kan een dokter eigenlijk vaststellen wat me mankeert als hij me niet eerst lijfelijk en daarna ook geestelijk heeft beklopt, bevoeld, beknepen en liefst heel lang geobserveerd?

Freud kon het. Ofschoon hij geen Russisch kende, ook nooit in Rusland was geweest, en sterker nog: terwijl zijn Russische patiënt al veertig jaar dood was, kon Freud in 1928 toch nog precies vertellen wat er had gescheeld aan de Rus Fjodor Dostojevski. Hij publiceerde een artikel onder de titel Dostojewski und die Vatertötung, en legde daarin uit dat de epilepsie van de schrijver een symptoom moet zijn geweest van een neurose. De neurose was ontstaan toen Dostojevski’s vader was vermoord. Tot die tijd had de schrijver net als u en ik en wij allemaal zijn vader gewoon zelf willen doodmaken, maar toen een ander zich ineens over dat verlangen had ontfermd, veranderde D’s oedipale drift traumatischerwijs in epileptische aanvallen.

Karel van het Reve heeft later in een vermakelijk opstel de vloer aangeveegd met de Freudiaanse theorieën en vooronderstellingen, en zin voor zin aangetoond dat vrijwel elke bewering in het artikel door haar tegendeel had kunnen worden vervangen zonder dat daarmee de strekking zou zijn aangetast. ‘Wat bij Freud het allermeest opvalt’, schreef hij, ‘is zijn welhaast volstrekte onverschilligheid tegenover de feiten’.

Maar daarmee is natuurlijk nog niet overtuigend bewezen dat een psychotherapeut z’n patiënten ook werkelijk op z’n spreekuur en in z’n behandelkamer moet hebben gehad om hun ziektebeeld vast te stellen.

Ik heb het wel eens vergeleken met wat je in allerlei aan de psychologie verwante takken van wetenschap en entertainment kunt aantreffen. Iedereen is bijvoorbeeld wel eens naar een ouderwetse, Carré-achtige avond geweest waar behalve een jongleur, een kunstfluiter en Ivo Niehe ook een illusionist optrad. De illusionist vraagt iemand uit het publiek op het toneel te komen, en hem een voorwerp te geven dat de betreffende persoon altijd bij zich draagt, dus een ring, een sleutelbos, een cameetje of desnoods alleen maar een bolletje stopverf. Let wel: de man of de vrouw uit het publiek doet er verder niks toe, het gaat alleen om dat voorwerp. En aan dat ene voorwerp ziet, voelt of ruikt de illusiekunstenaar het hele particuliere hebben en houden af van de op het toneel geroepen gast: ziektes, huwelijken, kindertal, salarisverhogingen, lievelingssoep – alles.

Zulke dingen bestaan. Niet alleen in de wichelarij, de chiromantie of bij de paragnosten, ook in de psychologie waarvan de beoefenaren in de dagen die achter ons liggen bovendien de zieke in kwestie niet alleen heel lang naast een gewetensvolle judas in een auto met drie camera’s hebben zien zitten, maar hem ook hebben horen praten en zien roken, terwijl een collega-ziener gelijktijdig heldere uitleg gaf.

Dat kon toch niet missen?

‘Veel auteurs’, besloot Karel van het Reve zijn verhandeling over Freud en Dostojevski, ‘lokken eigenlijk al meteen een aanval op hun stelling uit doordat zij hun feiten rangschikken in twee rijen: gunstige en ongunstige voor hun theorie. Zo’n rangschikking ontbreekt bij Freud volkomen, zodat de lezer grote kans loopt niet te merken dat hij wel degelijk met een zwendelaar te doen heeft.’

Lees alle columns van Jan Blokker uit nrc.next op nrcnext.nl/blokker