Waarom voelt een gelovige zich zo snel gekwetst?

nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een filosofisch dilemma.

Vandaag: wat is ‘kwetsing’ eigenlijk?

Weinig films zullen nog vóór verschijning zoveel controverse hebben veroorzaakt als de Koranfilm van PVV-leider Geert Wilders. Een grootmoefti uit Syrië heeft reeds om een verbod op de film gevraagd, ambassades zijn in opperste staat van waakzaamheid gebracht, en moslims worden via diverse instanties tot kalmte gemaand.

De voorzorgsmaatregelen zijn de uitkomst van het vermoeden dat de Koranfilm door veel moslims als ronduit blasfemisch en dus als zeer kwetsend zal worden opgevat en daarom wellicht tot (mogelijk gewelddadige) protesten zal leiden.

De kwestie roept de vraag op wat ‘kwetsing’ eigenlijk is. Waarom zijn mensen gekwetst en wat doet dat met een persoon? En, in het licht van de Koranfilm, hoe komt het dat gelovige mensen – daar heeft het in ieder geval alle schijn van – zich vaker ‘gekwetst’ voelen dan mensen die geen godsdienst aanhangig zijn? Die laatste vraag wordt misschien beantwoord als we de twee meest wezenlijke kenmerken van ‘kwetsing’ nader hebben belicht.

In het boek Sticks and Stones – The Philosophy of Insult (2008) schrijft de filosoof Jerome Neu, hoogleraar Humanistiek aan de Universiteit van Californië: ‘Gekwetst zijn is het ervaren van een verstoring van het zelfbeeld en de eigen plaats in de wereld.’ Het belangrijke woord is hier: zelfbeeld. Een kwetsing heeft te maken met het ‘ik’, of zoals Neu het formuleert, ‘het gevoel van ik’. Minder abstract gesteld: een kwetsing is een aanval op iemands identiteit.

Om dit te begrijpen, zou het handig zijn om te weten wat een ‘identiteit’ is. Volledig daarin zijn, is onmogelijk. Maar de definitie van identiteit van Immanuel Kant (1724-1804), zoals ik die eerder heb besproken, is een stap in de goede richting. Voor Kant bestaat de menselijke identiteit kortweg uit de ‘morele overtuigingen’ die een mens heeft – zijn ‘idee van goed en kwaad’. Dat idee bepaalt wat ik goed- en afkeur; ze vormen de redenen die ik heb om iets wel of niet te doen. De optelsom van die redenen vormen tezamen mijn identiteit: waarom ik doe wat ik doe en laat wat ik laat, is wie ik ben.

Een kwetsing heeft dus te maken met een ‘verstoring’ van iemands wereldbeeld. Dit maakt duidelijk waarom de kritische, soms grove uitspraken van Geert Wilders over de islam door moslims als ‘kwetsend’ worden ervaren. Wilders spreekt namelijk kwaad over de islamitische overtuigingen. Daarmee spreekt hij kwaad over wat moslims zijn. Hun identiteit bestaat immers uit die overtuigingen. Dat Wilders er met regelmaat aan toevoegt dat hij het niet over moslims zélf heeft, doet daar niks aan af. Ze zijn de overtuigingen die hij bekritiseert – de islam bepaalt zelfs hun hele levensstijl.

Toch is deze verklaring niet afdoende. Niet iedere kritiek op ieder soort overtuiging wordt als ‘kwetsend’ ervaren. Zelden hoor je een bioloog zeggen dat hij ‘gekwetst’ is door iemand die beweert dat de evolutietheorie van Darwin niet klopt – ook al gelooft hij daar misschien wel in. Ook atheïsten hoor je niet gauw spreken van ‘kwetsing’ zodra iemand beweert dat God wél bestaat, terwijl het omgekeerde vaker voorkomt: de ontkenning van God, zoals Nietzsches ‘God is dood’, wekt bij veel gelovigen grote toorn. Waarom?

Een verklaring zou kunnen zijn dat religieuze overtuigingen een speciaal soort overtuigingen zijn. Geloven in God en diens overlevering is een vorm van overtuigd-zijn die de redelijkheid te boven gaat. Dat wil niet zeggen dat zulk geloof ‘achterlijk’ is, zoals fundamentalistische rationalisten nog weleens beweren. Nee, het betekent dat deze geloofsovertuigingen geen ‘redenen’ hebben. Dat God bestaat en de overlevering waar is, is gewoon zo. Daar komen voor gelovigen geen redenen aan te pas. Religieuze overtuigingen vormen tezamen dan ook een speciaal soort identiteit – één die extra kwetsbaar is, juist door het gebrek aan redenen die ermee gepaard gaat. Want, de bewering dat de evolutietheorie onwaar is, kan met argumenten bestreden worden. Er zijn genoeg redenen om te denken dat de evolutietheorie klopt. Maar iemand die stelt dat God niet bestaat of dat God ‘een tiran’ is, kan daarin niet worden weerlegd: er zijn geen redenen voorhanden om zo’n oordeel te bevestigen danwel te ontkrachten. Het is immers: een geloof.

Gelovigen staan in discussies over hun geloof dus altijd zwak – zwakker dan in ieder ander soort discussie. Voor ongelovigen is dat moeilijk invoelbaar, of in ieder geval moeilijk te accepteren. Dan moet men maar geen overtuigingen hebben die de argumenten ‘te boven’ gaan, zullen zij denken. Maar de kwetsbaarheid van de ‘religieuze’ identiteit zou wellicht begrijpelijker worden door een vergelijking te schetsen met een ‘argumentloze’ overtuiging die bijna ieder mens heeft. Het is namelijk een misverstand om te denken dat alleen mensen die een godsdienst belijden ‘geloofsovertuigingen zonder reden’ hebben. Iedereen houdt zulke overtuigingen erop na – en de meest wijdverspreide ervan is de liefde.

Ook de liefde – voor partners, ouders, vrienden – is een religieuze overtuiging in de zin dat ze geen redenen kent. Dat wil zeggen, een mens kan niet beargumenteren waarom hij van iemand houdt. Want, zoals de Amerikaanse filosoof Harry G. Frankfurt schrijft in The Reasons of Love (2006): „De liefde is de reden.” Preciezer nog zou het zijn om te zeggen dat een mens de liefde niet wil beargumenteren. Want, stelt Frankfurt, wie redenen zou aanvoeren waarom hij van iemand houdt, zou de ware aard van de liefde teniet doen. Om dat te illustreren schetst Frankfurt een beroemd ethisch dilemma van zijn collega-filosoof Bernard Williams.

Stel, zegt Williams, twee mensen dreigen te verdrinken in een rivier en je kunt slechts één van hen behoeden voor de dood. Let wel: één van de twee drenkelingen is je geliefde. Wie zou je dan redden?

Williams stelt dat ieder mens zonder nadenken zijn geliefde uit het water zou vissen. En, nog belangrijker, dat het zeer „verdacht” zou zijn, als hij daar een reden voor zou aanvoeren, anders dan: dat het zijn geliefde is. Daarmee bedoelt Williams dat de reden om de geliefde te verkiezen boven de andere drenkeling niet kan worden afgeleid van een redelijk principe – dat doe je gewoon. Sterker nog, zou je achteraf een reden geven („mijn geliefde is jonger, dus ze had langer te leven”, of „de ander was maar een zwerver”), dan zou de geliefde zeer beledigd zijn. ‘Je hoeft toch niet te verklaren waarom je me redt?’ zou ze dan zeggen.

Kritieken op of beschimpingen van iemands religieuze overtuigingen zijn dus te vergelijken met aanvallen op iemands ‘geliefde’. Het is dan ook goed voorstelbaar dat iemand zeer gekwetst is, als een ander zijn of haar geliefde uitmaakt voor ‘achterlijk’ of ‘barbaar’. Een mens wil zich daar niet tegen verweren: het is gewoon niet zo. Dat verklaart misschien ook waarom moslims niet staan te dringen om extremisten die misbruik maken van hun religie – bijvoorbeeld ter rechtvaardiging van geweld – openlijk te weerspreken. Immers, als voetbalsupporters de vriendin van Rafael van der Vaart uitschelden voor ‘hoer’, zou het toch ook vreemd zijn als de voetballer na de wedstrijd voor de camera zou verklaren dat Sylvie Meis toch echt „geen prostituee” is?

De vraag blijft natuurlijk of mensen kwetsen mag of niet. Het kan immers uitzonderlijk grote spanningen teweeg brengen, met name als het om religieuze kwesties gaat; die worden ervaren als een extra zware ‘verstoring’ van dat deel van de identiteit die mensen aan religies ontlenen. Maar de vraag of dat soort kwetsingen dus uitgebannen zou moeten worden of niet, heeft met een ander aspect van kwetsingen te maken, namelijk: macht. Want, gekwetst zijn is niet alleen iets wat je aangedaan wordt. Het is ook iets wat mensen gebruiken om hun ‘zin’ te krijgen. Gekwetst zijn leent zich daar namelijk bij uitstek voor: je hoeft er immers geen redenen voor aan te voeren. Je hoeft slechts te beweren dat iets ‘kwetsend’ is om iemand te dwingen rekening met jou te houden, of zijn woorden terug te nemen.

Vooral daarom kán in een open samenleving, met vrije meningsuiting als fundament, ‘kwetsing’ geen grond zijn om een ander het zwijgen op te leggen. Die grond kent geen criterium. Jerome Neu schrijft daarom ook: „Als het recht om te spreken beperkt zou zijn tot het recht om niet beledigd te zijn, zou iedereen elkaar het zwijgen op kunnen leggen.” Dus zolang moslims het recht hebben de islam openlijk te belijden, mag ook Geert Wilders ervan zeggen wat hij vindt. Dat is nu eenmaal de consequentie van het uitdragen van je geloof: dan wordt je geliefde publiek bezit.