Meer tanks in Uruzgan is geen oplossing

Het Nederlands kent geen equivalent voor armchair general, maar het fenomeen bestaat hier wel. In NRC Handelsblad van 24 januari houdt brigade-generaal der cavalerie b.d. P.H. de Vries een pleidooi voor de inzet van tanks in Uruzgan. Zijn argumentatie berust op een enkel valide punt, maar wordt ontsierd door de teneur van een oratio pro domo.

Ik begin met zijn opmerking over artillerie: inderdaad is het opmerkelijk dat deze aan lichtere inzetregels is onderworpen dan jachtvliegtuigen en gevechtshelikopters. Dat kanonnen echter op een enkel huis zouden mogen schieten en dat zulks leidt tot een `groot aantal onschuldige burgerslachtoffers` is demagogie. Zijn uitleg over doelanalyse raakt kant noch wal: degene die lucht- of vuursteun aanvraagt weet heel goed welke middelen er meteen beschikbaar zijn. Gevechtshelikopters vormen trouwens een deel van het tactisch optreden en zijn daarom een verhaal apart. Tanks kunnen lang in de gevechtszone blijven en trefzeker schieten, al geeft het kanon een grote kans op nevenschade. Nadelig zijn voorts een grote kwetsbaarheid voor bermbommen en antitankwapens, met name in bebouwde gebieden en bergachtig terrein. Daarbij komt de noodzaak van gelijke tred houdende infanterie.

De Vries haalt ter adstructie het voorbeeld van Canada en Denemarken aan, die wel tanks gebruiken. De Denen kunnen nauwelijks als lichtend voorbeeld dienen: zij leveren onder Brits leiderschap een bescheiden bijdrage, die aan tal van nationale voorwaarden moet voldoen. De bijdrage van Canada is wel substantieel. Beide landen gebruiken hun tanks bij gebrek aan gevechtshelikopters, doorgaans vanuit statische posities. Kortom, de introductie van de tank als panacee is een suggestie geboren uit heimwee.