In naam van de Holocaust

Internationale commotie vorige week over het carnaval in Braziliaanse Rio de Janeiro. Thema van de optocht was dit jaar: ‘Waar je haren recht overeind van gaan staan.’

Een van de deelnemende sambaverenigingen had een praalwagen gebouwd met ‘de Holocaust’: een gigantische stapel (nep)lijken. Deze vereniging had al eerder historische thema’s verbeeld die politiek gevoelig zijn, zoals slavernij. De Joodse Federatie van Rio de Janeiro spande een kort geding aan, en won. De kar mocht zondag meerijden, maar zonder lijken. Ook een ‘Hitlerwagen’ werd gekuist. Overigens is dit niet uniek: in 2003 werd een kar met een bewapende Jezus verboden.

Massamoord en feestgedruis zijn een wel heel extreme combinatie. Maar carnaval is van oudsher, ook in Europa, een moment om politiek commentaar te leveren. De bouwer van de Braziliaanse lijkenkar wilde oprecht waarschuwen dat iets als de Holocaust nooit meer mag gebeuren. Een joods lid van een andere sambavereniging vatte zijn bezwaar krachtig samen: „Door de Holocaust heb ik geen opa en oma.”

Van wie is de Holocaust? Van de doden, van de overlevenden, van de nabestaanden, van alle joden, van alle mensen? En wie bepaalt wat je ermee mag doen?

Het is een terugkerend conflict, ook in wetenschappelijke discussies. Het ene kamp ziet de Holocaust als één gebeurtenis in een lange rij van gruwelijke dingen die mensen elkaar aandoen. In deze visie is de Holocaust van iedereen. Het andere kamp zegt: wat de Duitsers de joden hebben aangedaan, is het ergste wat ooit gebeurd is. Daar past geen enkele vergelijking. Voor dit kamp is de Holocaust vooral een joodse erfenis.

In beide kampen zitten mensen die het gerechtvaardigd vinden om de boodschap van de Holocaust over te brengen met schokkende beelden: uitgemergelde lijken, bergen mensenhaar. Of het nou in een museum is of op een carnavalswagen: het is een effectieve methode.

Maar van wie de Holocaust ook is: mag je mensen zonder waarschuwing confronteren met zulke afgrijselijke plaatjes?

Merel Boers