Gaten in de weg, corruptie en reorganisaties

Drie Nederlandse studenten wonnen een prijs met hun plan voor de bestrijding van moedersterfte in Zambia.

Ze mochten ter plekke kijken of het plan haalbaar is.

De wereld een beetje beter helpen maken: dat willen we allemaal wel. Eraan meewerken dat de armoede afneemt. Er meer kinderen naar school gaan. Ziektes beter worden bestreden.

Helaas, het komt er meestal niet van. Je moet toch ook studeren. Een baan zien te krijgen. Carrière maken. Waardoor je waarschijnlijk nooit zult weten of je in staat was geweest je idealen van toen vorm te geven.

Zo niet de winnaars van de Millennium Battle 2007, een jaarlijkse wedstrijd waarin studenten laten zien hoe zíj de ‘millenniumdoelen’ van de Verenigde Naties zouden realiseren. Winnaars dit jaar: Judith Hut (20, geneeskunde), Dorien Pfauth (20, media en cultuur) en Michiel Stapper (19, planologie). Prijs: een studiereis van één week naar Zambia, om ter plekke hun plan voor de bestrijding van moedersterfte te toetsen.

In dat plan krijgen de vroedvrouwen in de dorpen onderwijs. Er komen regionale kraamcentra, waar zwangere vrouwen terechtkunnen en waar altijd een arts aanwezig is. Die arts wordt goed betaald, zodat hij niet wegtrekt. En bij de kraamcentra horen wachthuizen. Daar kunnen de vrouwen logeren, zodat ze de urenlange voettocht naar de kraamcentra kunnen ondernemen voordat ze op het punt staan te bevallen.

En ja, denken Judith Hut, Dorien Pfauth en Michiel Stapper wanneer ze eind januari de Zambiaanse werkelijkheid tegemoet vliegen onder begeleiding van een medewerker van de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling: dat plan is haalbaar.

Vol optimisme rijden ze deze zaterdag na een vliegreis van bijna dertien uur door de Zambiaanse hoofdstad Lusaka, op weg naar het pension waar ze hun plan zullen presenteren aan een adviseur van het Zambiaanse ministerie van Volksgezondheid. Ze passeren de streng beveiligde huizen van de rijken. Langs de weg tientallen billboards met reclame voor mobiele telefoons. Een kleiner aantal waarschuwt voor hiv en aids.

De adviseur is Simone Jaarsma (42). Wanneer ze de uiteenzetting van het prijswinnende plan heeft aangehoord, steekt ze haar eigen verhaal af. En dat verhaal gaat niet over moedersterfte. Het gaat over een grootscheepse reorganisatie van het ministerie, die al het „echte werk” sinds 2004 heeft overschaduwd. „Knettergek” wordt ze ervan, zegt Simone Jaarsma: „De ambtenaren zijn meer bezig met het zeker stellen van hun eigen baan dan met volksgezondheid.”

En als er al beleidsvoornemens zijn, is er nóg een probleem: het land is zo uitgestrekt en de wegen zijn zo slecht onderhouden dat het afgelegen platteland nauwelijks kan worden bereikt. Ook lukt het maar niet om artsen buiten de grote steden te stationeren. Ze zijn gewend aan het stadsleven – en hebben geen trek in een elektriciteitsloos bestaan in een primitief dorp.

Heeft Simone Jaarsma eigenlijk nog idealen? Ja hoor: „Die pik ik altijd weer op als ik op vakantie ben geweest. Naar de Kilimanjaro. Of naar Zanzibar. Maar terug op het werk verdwijnen ze al snel weer achter de horizon.”

Een dag later zitten Judith Hut, Dorien Pfauth en Michiel Stapper in een lokaaltje van de betonkleurige Universiteit van Zambia. Hier presenteren ze hun plan aan een groep mastersstudenten in genderstudies. Bijna al die studenten zijn de dertig ruim gepasseerd – ze hebben eerst jaren gewerkt.

De studenten hebben weer andere twijfels over het plan. Zo vragen ze zich af of zwangere vrouwen op het arme, afgelegen platteland wel naar een kraamcentrum wíllen. „In de kraamklinieken zoals wij die kennen, is aan alles gebrek. Dus moeten de vrouwen zelf spullen kopen”, zegt Muleya Redges: „Luiers, plastic handschoenen, een babydeken, ja zelfs een tang om de navelstreng door te knippen. Dat zijn kostbare uitgaven, die je niet hoeft te maken als je thuis bevalt.”

Volgens Rebecca Ngulube is de werkdruk van de verpleegsters zo hoog, dat hun dienstbaarheid eronder lijdt: „De zwangere vrouwen worden regelmatig afgesnauwd.” Bovendien, zegt Benny Mpundu, zijn de verpleegsters in de klinieken vaak niet gemotiveerd, omdat ze te weinig betaald krijgen. Hij denkt dat vrouwen in afgelegen dorpen het voordeel van bevallen in een kliniek niet in zullen zien: „Ook in de klinieken sterven vrouwen in het kraambed. Waarom zouden ze dan niet thuis bevallen?”

En dan is er nog een heel ander soort probleem: de politiek. „Voor jullie plan zijn goede wegen nodig”, zegt Rebecca Ngulube. „Dat is een politieke beslissing. Helaas beperkt de ambitie van onze politici zich tot veel naar het buitenland vliegen.” Het advies van de studenten: richt je plan zo in dat je dat je het op lokaal niveau kunt realiseren. Beperk je tot de grassroots.

Maar dáár denkt de Nederlandse ambassadeur in Zambia, Eduard Middeldorp, weer heel anders over. „Het klinkt sympathiek hoor, grassroots”, zegt hij in de met dikke muren omheinde en door een soldaat bewaakte ambassadetuin. „Maar als je decentraliseert, wordt de controle minder.”

De strategie van de ambassade is een andere. Van de 15 miljoen euro die Nederland in Zambia per jaar aan gezondheidszorg uitgeeft, gaat 13 miljoen rechtstreeks naar het ministerie van Volksgezondheid. En inderdaad, óók de ambassade heeft gemerkt dat de reorganisatie van dat ministerie „nadelige gevolgen voor de dienstverlening heeft”. In vier jaar tijd telde Zambia vier ministers van Volksgezondheid. En corruptie onder ministers is geen zeldzaamheid, aldus Middeldorp.

Was het dan geen optie om de geldkraan naar het ministerie dicht te draaien? Nee, zegt de ambassadeur. „Dan zit je niet meer met die mensen aan tafel. Je móét blijven praten, anders heb je geen invloed. Dat zegt minister Koenders [Ontwikkelingssamenwerking, red.] ook.”

„Aan diplomaten heb je helemaal niets. Dat zijn beleidsuitvoerders”, zegt Joop Jansen, sinds 2006 als arts gestationeerd in een missiehospitaal in Minga, een dorpje in het oosten van Zambia. Onderweg van Lusaka naar Minga hebben de studenten het land zien veranderen. Geen asfalt, maar roodbruin zand. Geen billboards, maar rieten hutjes langs de weg. Geen overdekte winkelcentra, maar zo nu en dan een kleine markt. En geen hip geklede stedelingen, maar mensen in oude kloffies met zakken maïsmeel op het hoofd of op de fiets.

Het missiehospitaal ligt op een aantal onverharde kilometers rijden van de al even onverharde hoofdweg. Over vier maanden, vertelt Joop Jansen, wordt zijn financiering door Cordaid Memisa stopgezet. Het is het gevolg van een beleidsomslag: Cordaid Memisa wil investeren in Zambiaanse doktoren, in plaats van in de (duurdere) buitenlandse tropenartsen.

Probleem is dat er een tekort is aan Zambiaanse artsen. En dus zit het missiehospitaal – en daarmee de wijde omtrek van het dorp – vanaf juli waarschijnlijk zonder arts. De studenten leggen hun plan nog maar eens voor. Jansens reactie: „Jullie idee over onderwijs voor de vroedvrouwen in de dorpen is realistisch. Maar verder denk ik dat alleen economische ontwikkeling dit land kan helpen.”

En dan is de week voorbij. Een week waarin de realiteit weerbarstiger bleek dan de drie prijswinnaars hadden gedacht – althans de realiteit van een aantal Zambianen en een aantal Nederlandse expats. Ze hadden er niet op gerekend dat vrouwen niet naar de kraamklinieken zouden willen gaan. En ze hadden geen rekening gehouden met de slechte infrastructuur.

Toch zijn ze hoopvol. Dorien Pfauth: „Een arts als Joop Jansen kan écht iets bijdragen.” Judith Hut: „De moedersterfte zal zeker dalen.” Michiel Stapper: „Door de vroedvrouwen in de dorpen op te leiden, moet het millenniumdoel haalbaar zijn. Ik zie alleen maar kansen.”

729 moeders sterven