Zwart en blank

Het lijkt pais en vree tussen de bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika. Maar op braaifeestjes en in de townships komen bittere verwijten naar boven. Toch maakt het land op bezoekers uit Europa een ontspannen indruk.

Nergens anders in Kaapstad hoor je zoveel Nederlands spreken als in Kasteel de Goede Hoop, het fort uit de tijd dat de VOC hier nog de lakens uitdeelde. De wisseling van de wacht is symbolisch voor het nieuwe Zuid-Afrika.

Geen blanke, maar zwarte soldaten volgen de snerpende bevelen op en het zijn zwarte dames die ons opvangen voor een rondleiding. Een van hen trekt eerst mijn kraag recht. Prima dat hier zoveel landgenoten komen, bedenk ik: kunnen ze zien hoe de kaarten liggen.

Het lijkt pais en vree tussen de verschillende bevolkingsgroepen, maar op ‘braaifeestjes’ en in de townships komen bittere verwijten naar boven, is ons verteld. Zelf hebben we geen moment iets van spanningen gemerkt.

Zuid-Afrika is aantrekkelijk voor zoekers van rust en ruimte. Dat weet de overheid maar al te goed. Je moet ten minste een miljoen euro achter de hand hebben, wil je je hier blijvend mogen vestigen. Het is dé manier om de deur gesloten te houden voor met name de Nigerianen, die een slechte reputatie hebben.

De modale inwoner, zwart of niet, duizelt van zo’n kapitaal. Ze moeten met minder toe. Zo ook Carol, die een extraatje verdient door als gids en chauffeur voor ons op te treden.

Gastvrij als ze is, nodigt ze ons bij haar thuis uit. Ze heeft een slimme oplossing voor haar smalle beurs gevonden door ons mee te tronen naar het borreluur bij haar buren, een vriendelijk, maar onverstaanbaar Afrikaans sprekend bejaard echtpaar. Hun huiskamer is ingericht als het clubhuis van het nationale rugbyteam. De toog beslaat een hele wand en de muren hangen vol foto’s van de springbokken. We nemen er nog een.

Op straat worden we verschillende keren aangeklampt door bedelende jonge mannen. We lopen door alsof we niets gehoord hebben. „Heel goed”, zegt Carol, „als je je portemonnee trekt gaan ze ermee aan de haal.”

Ze weet waar ze het over heeft. Haar eerste man was slachtoffer van een roofmoord. We kunnen ons voorstellen dat zij haar zwarte landgenoten haat, maar daar is geen sprake van, integendeel: ze neemt ons mee naar een township, waar ze jonge meisjes attent maakt op haar gratis danslessen. De meisjes reageren terughoudend. Volgens Carol hebben ze te vaak meegemaakt dat blanken hun beloften niet nakomen.

Argwaan treffen we ook aan bij de blanke taxichauffeur die beweert dat blanken tweederangs burgers zijn. „Dat is ooit anders geweest”, merk ik op. Hij zwijgt de rest van de rit. Carol vertelt dat je subsidie krijgt als je zwarte werknemers in dienst neemt. Het gebeurt vaak dat vrienden of kennissen doen alsof ze zijn aangenomen. De subsidie komt af en de buit wordt gedeeld. Wie zei daar dat zwart en blank niet samen gaan?

Als Gerarda de overgordijnen in ons appartement wil sluiten, komen ze omlaag. De iele hoeksteuntjes hebben het begeven. Na drie dagen komen vier man de schade opnemen. Een week later halen drie man de gordijnen op. Er verstrijkt weer een week eer met man en macht de nieuwe rail wordt aangebracht. Op de dag van ons vertrek hangen de gordijnen er weer. „Typisch Zuid-Afrika”, zegt Carol, „vroeg of laat komt het goed.”

Ik vraag haar hoe het komt dat zwarte mensen ons groeten en blanke niet. „Dat komt” zegt ze „omdat jullie ze zo vriendelijk aankijken.”