‘Iron my shirt’ tegen ‘Shine my shoes’

Vandaag wordt er gekozen tussen twee kandidaten die de geschiedenis van seksisme en racisme in Amerika belichamen, schrijft Frances Gouda, die ook gaat stemmen.

Het begon tijdens de voorverkiezingen in New Hampshire. In de loop van het tv-debat op 5 januari tussen de vier overgebleven kandidaten van de Democratische Partij – Hillary Clinton, John Edwards, Barack Obama, en Bill Richardson – ontstond een gevoel van onbehagen. Het leek alsof Obama en Edwards op een gewiekste manier bezig waren met double teaming, waarbij Richardson de rol van scheidsrechter vertolkte. Clinton werd het doelwit van een subtiele samenwerking tussen de post-moderne Afrikaans-Amerikaanse Obama en de ouderwetse sociaal-democraat Edwards. Toen het zogenaamde gebrek aan (vrouwelijke) beminnelijkheid van Hillary ter sprake kwam, zei Obama op enigszins neerbuigende toon tegen haar dat ze ‘aardig genoeg’ was.

De volgende dag kreeg Hillary tranen in de ogen tijdens een kopje koffie met een groep vrouwelijke kiezers in een café in New Hampshire. In een kort moment dat vervolgens ad nauseam werd herhaald door alle tv-kanalen, beantwoordde ze met een stem die trilde van emotie de vraag waarom ze zo graag president wilde worden. De strekking van haar antwoord was niet bijzonder diepzinnig. Omdat zij sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw zoveel kansen van de Amerikaanse samenleving had gekregen, wilde ze nu graag iets teruggeven. Wel bijzonder was haar persoonlijke kwetsbaarheid, een sentiment dat kiezers in Iowa, New Hampshire en de rest van Amerika nog niet eerder hadden gezien.

Kort daarna verschenen voor de eerste keer twee jolige jongemannen op een campagnebijeenkomst met gele borden waarop de seksistische leuze Iron My Shirt (‘strijk mijn overhemd’) stond. Hillary grapte dat seksisme nog steeds springlevend is in de hedendaagse Amerikaanse samenleving en dat zij als vrouwelijke kandidaat voor het presidentschap het allerlaatste glazen plafond wil doorbreken.

De meeste peilingen hadden een overwinning voor Obama voorspeld na zijn verrassende zege in Iowa op 3 januari. Toch won Clinton de New Hampshire voorverkiezingen met een ruime voorsprong vooral dankzij de steun van vrouwelijke kiezers van middelbare leeftijd. Een aantal Amerikaanse kranten reageerde op het ‘Iron My Shirt’ incident met goedmoedig commentaar over de ‘schijnbaar seksistische’ bedoelingen van de grappenmakers. De mainstream media namen het niet al te serieus.

Misschien moeten we ons afvragen wat er gebeurd zou zijn als een paar blanke toeschouwers tijdens een Obama-rally in South Carolina een bord met een leuze als Shine My Shoes, Boy hadden vertoond. Zou dat de oudere generatie niet meteen doen denken aan de gruwelijke Ku Klux Klan? Of zou het niet de zwart-witte tv-rapportages over de racistische redneck gouverneur van Alabama George Wallace oproepen?

Zou zo’n slogan ook niet het beeld van Rosa Parks in Montgomery (Alabama) voor ogen brengen, een kleine zwarte vrouw van middelbare leeftijd die in 1955 had geweigerd achter in de bus te gaan zitten en daardoor een langdurige busstaking veroorzaakte?

Een bord met ‘Shine My Shoes, Boy’ bij een Obama-rally zou zelfs bij jongere generaties herinneringen oproepen aan de enorme protestbijeenkomst bij het Lincoln Memorial in Washington D.C. in 1963. Martin Luther King hield toen zijn onvergetelijke I Have a Dream toespraak, waarvan talloze Amerikanen – jong en oud, zwart en wit, man en vrouw – zelfs nu nog de sleutelpassage min of meer in hun hoofd hebben. (I have a dream that my four little children will one day live in a world where they will not be judged by the color of their skin but by the content of their character).

De Amerikaanse historicus Charles Maier schreef niet lang geleden over de hot memories die de historische verbeelding van de Holocaust tijdens de Tweede Wereldoorlog in leven houden tegenover de cold memories die de geschiedschrijving van de stalinistische Goelag kenmerken. Hetzelfde idee van warme en koude herinneringspatronen is van toepassing op de geschiedenis van seksisme en racisme in de twintigste eeuw. In vergelijking met de levendige herinneringen aan de Afrikaans-Amerikaanse burgerrechtenbeweging spreekt de tweede feministische golf minder tot de verbeelding van mannelijke en jonge kiezers. Dit is waarschijnlijk de reden waarom de journalistieke reacties op het ‘Iron My Shirt’ incident zo lauw zijn. Als het aantal aansprekende thema van racisme en etniciteit aan de orde komt, is dat anders.

De Amerikaanse media rapporteerden wel uitgebreid over een van de recente schermutselingen tussen Clinton en Obama in de verkiezingscampagne. Het ging over de rol van Martin Luther King in de Civil Rights Act van 1964. Dit was de ingrijpende wet die discriminatie op basis van ras, kleur, godsdienst en nationale oorsprong verbood en de federale regering de macht gaf om rassengelijkheid te garanderen en op de duur zelfs pro-actief te bevorderen. De Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap was verontwaardigd over Hillary’s opmerking dat Martin Luther King dan misschien wel de strijd voor burgerrechten had geleid, maar dat het vooral een politieke prestatie van President Lyndon Johnson was geweest omdat hij de Civil Rights Act door het Congres had gesleept. Lyndon Johnsons Affirmative Action-beleid in 1965 ging zelfs nog een stapje verder. Sindsdien verdienden etnische minderheden voorrang in elke sollicitatie procedure bij overheidsinstanties, een voorkeursbeleid dat vervolgens ook op vrouwelijke sollicitanten werd toegepast. Hillary had in haar opmerking nog een stapje verder kunnen gaan door te benadrukken dat de wetgeving van de regering-Johnson in 1963-1968 de gelijke burgerrechten van zowel minderheden als van vrouwen had bevorderd. Het feit dat in 2008 de Democratische Partij tijdens de presidentsverkiezingen de keuze biedt tussen een vrouwelijke en Afrikaans-Amerikaanse kandidaat is direct te herleiden niet alleen naar de bezielende inspiratie van Martin Luther King maar ook naar het politieke vernuft van Lyndon Johnson.

Ik volg de ups en downs van Clinton en Obama in de verkiezingscampagne op de voet. Als houder van zowel een Amerikaans als een Nederlands paspoort ga ik vandaag via de website van de Democrats Abroad/Overseas Vote Foundation stemmen in de voorverkiezingen. In mijn afwegingen speelt het relatieve belang van gender en etniciteit een rol.

Omdat qua inhoud de onderlinge verschillen in het politieke platform van Clinton en Obama minimaal zijn, lijkt het soms dat ik een keuze moet maken tussen twee kandidaten die de geschiedenis van seksisme en racisme in Amerika op een triomfantelijke wijze belichamen. Hillary heeft de belangrijke groep vrouwelijke stemmers vandaag nodig en daarom verwijst ze nu regelmatig naar haar status als de eerste vrouwelijke presidentskandidaat in de Amerikaanse geschiedenis. Kennelijk heeft Obama besloten om zijn zwarte huidskleur niet in te zetten als strategie in de campagne. Is het mogelijk dat er een onbewuste journalistieke beslissing is genomen dat zolang Obama zijn etnische identiteit onbesproken laat, Hillary’s gender ook niet al te uitgebreid aan de orde mag komen?

In het wikken en wegen van het relatieve belang van blanke vrouwelijkheid en zwarte mannelijkheid in de belofte van Democratische vernieuwing (change) in het post-Bush tijdperk gaan vooral persoonlijke in plaats van politieke factoren meespelen. En dan komen lastige vragen aan de orde. Als Hillary een autonome politicus is, waarom moet Bill Clinton dan zo prominent aanwezig zijn in haar campagne? Het subversieve twee-tegen-één spelletje van Obama en Edwards tijdens het New Hampshire debat werd terugbetaald met een soortgelijk double teaming poging van Hillary en Bill. Deze strategie werd vervolgens afgestraft door de circa 50 procent zwarte Democratische kiezers in South Carolina: vorige week bezorgden zij Obama een royale overwinning. Ook erger ik me zo nu en dan aan Hillary’s gehamer op haar superieure ervaring die ze gedeeltelijk aan Bill te danken heeft. Haar huwelijk is ongetwijfeld een bron van frustratie en soms veel verdriet geweest, maar het heeft haar ook politieke en professionele kansen verschaft waardoor ze nu is verheven tot de officiele, bevoorrechte kandidaat van de gevestigde orde van de Democratische Partij. Als buitenstaander en nieuwkomer probeert ze Obama aan één stuk door af te schilderen als onvoldoende voorbereid. Hij mag dan goed zijn in the poetry of campaigning, waarschuwt ze af en toe, maar hij zal tekortschieten in the prose of governing. Ze erkent zelden dat Obama als hoofdredacteur van de Harvard Law Review, als buurtwerker in de Afrikaans-Amerikaanse ghettos van Chicago en als gekozen volksvertegenwoordiger in de staat Illinois en daarna in de Senaat in Washington D.C. al veel goed werk heeft gedaan. Ze bekritiseert vooral zijn gebrek aan ervaring in het formuleren van buitenlands beleid. Maar moeten we ons niet afvragen of haar internationale ervaring als First Lady op staatsbezoek meetelt als foreign policy experience? En naast blanke vrouwelijkheid en zwarte mannelijkheid is er dan ook nog de kwestie van leeftijd. Obama is veertien jaar jonger dan Clinton en hij bereikt met zijn welbespraaktheid en postraciale charisma een enorme groep nieuwe kiezers. Deze jonge stemmers – wit en zwart, man en vrouw – hebben het Clinton-tijdperk van 1992 tot 2000 als kind meegemaakt maar vinden nu in het nieuwe millennium hun eerste echte politieke betrokkenheid in de Obama campagne.

Stel je voor: Obama als Democratische kandidaat in een verkiezingsstrijd met de 71-jarige John McCain als de waarschijnlijke Republikeinse tegenstander: het contrast tussen de houterige eminence grise van de Republikeinse Partij en Obama’s jeugdige vitaliteit zal enorm zijn.

Met Obama zou Amerika een president krijgen die nog redelijk goed bahasa Indonesia spreekt en een uitgebreide familie in Kenya heeft, die hoort bij de Luo stam van de Kenyaanse oppositieleider Raila Odinga. Een Amerikaanse president die zal vertrouwen op overleg en diplomatie en zich in het Witte Huis zal omringen met the best and the brightest, zoals John F. Kennedy in 1960. Maar het zou me niet verbazen als Clinton op Super Tuesday als overwinnaar uit de bus komt. De pro-Clinton organisatorische structuren van de Democratische Partij zijn al twee jaar lang bezig met hun voorbereidingen voor deze belangrijke dag.

Frances Gouda is hoogleraar aan de Afdeling Politicologie van de Universiteit van Amsterdam.