Innoveren met voornamen en glazen wanden

Op deze aarde waar natuurlijke hulpbronnen steeds schaarser worden, bestaat één hulpbron die blijft groeien en waarvan het gebruik alleen maar meer oplevert. Ik heb het over kennis, de hulpbron die zich op magische wijze kan vermenigvuldigen - zie de oneindige bibliotheek van Jorge Borges (of moderner, het begin van De Schaduw van de Wind van Zafón). Geen wonder dat de politiek kennis heeft verheven tot de grote hulpbron van de toekomst, waardoor alles goed zal komen, van vervuiling tot werkgelegenheid. Innovatie heet dat proces van versnelde kennisgroei en nieuwe toepassingen.

Op papier klinkt dat allemaal heel mooi. Maar het zijn niet de actieplannen noch de seminars die het doen, noch de leuzen en goede bedoelingen. Ook de overheid kan slechts voorwaarden scheppen, of zoals het Innovatieplatform (IP) van zichzelf zegt: een „belangrijke ijsbrekende functie” vervullen (wie of wat er met dat ijs bedoeld wordt, moeten ze nog maar eens uitleggen). Innovatie zelf is iets anders, iets dat tegelijk ongrijpbaar is en heel concreet.

Geen betere plek om het gezicht van innovatie te bestuderen dan Stanford en Berkeley, twee topuniversiteiten vlakbij Silicon Valley, die ons vaak ten voorbeeld worden gesteld. Iedereen kent het verhaal van de spin-off bedrijfjes die zich vlakbij grote onderzoeksinstellingen vestigen. Maar dat is maar een deel van het verhaal. Het ongrijpbare van innovatie is allereerst een kwestie van sfeer en enthousiasme, van drive, zoals de Amerikanen dat noemen: die onstuitbare wil om iets te doen, om iets uit te zoeken, ook al weet je nog niet precies waartoe het leidt, omdat je ervan overtuigd bent dat het echt belangrijk is. Het concrete van innovatie zit hem in de kleine dingen die me tijdens mijn recente verblijf daar weer opvielen.

Allereerst de fysieke omgeving: de individuele kantoren zijn klein tot zeer klein, ook als het decanen en toponderzoekers betreft. Promovendi en gastmedewerkers zitten vlak naast elkaar zonder enige privacy, aan lange tafels met alleen een laag wandje tussen de beeldschermen. Op de overloop komen tijdelijke werkplekken als paddenstoelen op, als er voor een project ineens meer medewerkers nodig zijn. Tussen de kamers zijn soms niet eens deuren en waar ze zijn, zijn ze van glas en staan ze bijna altijd open. Op de gemeenschappelijke ruimtes wordt niet bezuinigd: uitgebreide keukens met grote ijskasten en magnetrons. Thee en koffie zijn voortdurend en gratis beschikbaar. Overal zitjes, vooral in tuinen en binnenplaatsen. Op minder dan vijf minuten lopen liggen kantines met opvallend goed en gezond voedsel.

Die fysieke omgeving is gericht op het optimaliseren van interactie. In vorm lijkt er nauwelijks een hiërarchie te bestaan: ook studenten en promovendi noemen decanen bij de voornaam. Voortdurend zie je mensen die elkaar staande houden om iets te vertellen. In elke kamer en ook in sommige gangen zijn witte of zwarte schoolborden waar je even iets op kunt tekenen of schrijven als je met iemand staat te praten. Of een mop, want drive en humor gaan goed samen. Wie een goed idee heeft, breekt gewoon in het gesprek in. Die informaliteit strekt zich uit tot buiten het werk: hoogleraren nodigen zelfs op hun vakantieadres hun medewerkers uit, en gaan samen sporten.

Briljante mensen kunnen het zich permitteren om genereus te zijn, zich met de besten te omringen en gegevens, ervaringen en middelen te delen. Een onderzoeker zei tegen mij: „Ja, toen kwam G. erbij, en toen heb ik natuurlijk een tijdje de helft van mijn lab afgestaan.” We zijn een grote familie, werd me verschillende keren verzekerd. Leeftijd is geen factor: ik heb een tachtigjarige hoogleraar naast een dertigjarige zien zitten, intens in gesprek over een veelbelovend project. Maar het is ook een harde familie: wie niet goed genoeg is, of geen geld binnenhaalt, moet weg. En iedereen kan worden weggekocht door de concurrentie. Jammer, maar zo is het.

Efficiëntie is het toverwoord, want het meeste geld is ‘zacht’, niet van jaar tot jaar gegarandeerd, en moet via een competitief proces verdiend worden. Geen project, geen salaris. Zoek de beste man of vrouw die je kunt vinden voor de klus, betaal iets meer dan vergelijkbare werkgevers en de output is beter dan van twee of drie mensen samen.

Interdisciplinariteit is zo vanzelfsprekend dat het niet benoemd hoeft te worden, laat staan dat daar apart instellingen of groepen voor nodig zijn. Veel succesvolle onderzoekers hebben twee undergraduate studies gedaan, liefst uiteenlopend, zoals geologie en Engelse literatuur, of fysica en natuurbeheer. Interdisciplinariteit is een vorm van efficiëntie, want je wordt er creatiever en doelgerichter van.

Uiteindelijk is innovatie een kwestie van cultuur. En dan doel ik niet op de competitieve cultuur. Competitie is een noodzakelijke maar niet de enige voorwaarde - dat lijkt het grote probleem in India en China, waar de meeste studenten meer geïmpregneerd zijn met hiërarchisch dan met onafhankelijk denken en innovatie vaak kopiëren betekent. Innovatie veronderstelt optimisme, openheid voor kwaliteit en relativeringsvermogen, gepaard aan flexibiliteit en minimale hiërarchie. In dat licht steken de leuzen van het IP - ‘Nederland Kan Zoveel Meer! We moeten onze slagkracht verhogen!’ - wat magertjes en defensief af. Dan zou ik me liever door Borges laten inspireren, die zich het paradijs voorstelt als een soort bibliotheek en lustoord van kennis.