Iedereen een beetje biograaf

Vandaag wordt het Hella Haasse-Museum geopend.

Het is een virtuele plek waar iedereen kan neuzen in de wereld van de schrijfster, die afgelopen zaterdag 90 werd.

Biografen betreden archieven met een mengeling van genot en angst. Tegenover de verwachtingsvolle opwinding over de nog te ontdekken schatten, staat de ontmoediging van de rijstebrij waardoor de onderzoeker zich heen zal moeten eten. Waar te beginnen? Hoe te schiften? Wat is het verhaal dat zich in dit, eigenlijk niet voor mijn ogen bedoelde, materiaal schuilhoudt? Zou de archiefflauwte uitsterven als virtuele musea, zoals er nu één voor Hella Haasse is opgericht, terrein winnen? Zal de toekomstige biograaf van onze veelzijdigste schrijfster verlost zijn van het maandenlang dolen in over vele landen verspreide archieven? Maar dan, wat gaat er verloren als al het materiaal waarvan je nog niet eens wist dat je het zocht al keurig chronologisch en thematisch voor je is uitgestald?

Ik kreeg voorafgaand aan de officiële opening van het Hella Haasse-Museum een rondleiding langs de jeugdfoto’s, manuscripten en brieven en ontdekte al snel dat deze gigantische Fundgrube elke archiefflauwte wegneemt. Wat ervoor in de plaats komt is een adrenalineshot of een injectie met een nog veel sterker goedje. Voor je ogen, je vingers die de muis bedienen, voor al je zintuigen eigenlijk, rijst een berg van mogelijkheden, dwarsverbanden, verhalen en subverhalen op. Zoals Haasse in haar essays en historische romans altijd maar weer speurt naar ‘grondpatronen’ en ‘samenhangen’ in leven en werk van anderen, zo zal de Haassebiograaf – en elke willekeurige bezoeker – in dit museum aanknopingspunten vinden voor de samenhangen en grondpatronen in háár leven en werk.

In haar essay Dubbelportret. Een en ander over de biografie al dan niet literair schreef Haasse dat het er in een biografie om gaat met behulp van alle geëigende technieken van benadering en presentatie een mens op het spoor te komen en te volgen in zijn maatschappelijke leven en in zijn privébestaan, als unieke persoonlijkheid én als representant van zijn tijd. Welnu, een vracht bouwstenen daarvoor ligt in dit museum klaar. Een schrijversbiograaf, voegde Haasse eraan toe, moet in de eerste plaats onderzoeken ‘uit welke elementen de kernsituatie bestaat die de mens in kwestie tot schrijven dreef, en die in het gehele oeuvre, in tal van varianten, soms openlijk, maar vaker verborgen, vermomd te vinden is’.

Dit is de opdracht aan de biograaf van Hella Haasse (en aan iedere schrijversbiograaf) in een notedop. Het bestaan van een digitaal schrijversmuseum of van schrijverswebsites verandert daar in principe niets aan. Wat wél verandert, is dat het grote publiek voortaan over de schouder van de biograaf kan meekijken.

Wat is nog de taak voor biografen als iedere snipper archief, alle handschriften, compleet met doorhalingen en correcties, elk boodschappenlijstje, de compromitterende foto of aandoenlijke liefdesbrieven, voor iedereen beschikbaar zijn? Het destilleren van het verhaal dat uit dergelijk materiaal, dat immers staat of valt met het perspectief waaruit dat op fantasievolle wijze wordt verteld.

Het werk van serieuze biografen wordt er met nieuwe digitale faciliteiten alleen maar interessanter op. Naarmate er meer materiaal bereikbaar is zal de biografie mogelijk van karakter veranderen. Geen onafzienbare opsomming van levensfeiten, maar meer toegespitste en diepgravende antwoorden op hypotheses over de betekenis van het leven voor het werk van een auteur en omgekeerd. Het aanleggen van digitale musea of het uitbreiden van de al bestaande zal onderdeel worden van de biografische arbeid.

Zoals Hella Haasse al opmerkte, zijn schrijvers geneigd hun ‘kernsituatie’ die hen tot schrijven dreef, te verstoppen in hun werk of waar dan ook. Niets menselijks is hun vreemd. Zij proberen sporen uit te wissen, onwelgevallige eigenschappen of gebeurtenissen te verdoezelen, zichzelf mooier voor te stellen dan ze zijn. Niettemin zal de biograaf ‘met behulp van alle geëigende technieken’ de hele mens achter een geliefd of bewonderd oeuvre op het spoor willen komen en zal de discussie over de vraag waarom dat eigenlijk zo nodig moet, blijven woeden. Philip Roth had het in Exit Ghost over het vonnis van de ‘biografische inquisitie.’ Maar aan die ‘biografische inquisitie’ zullen digitale musea als dat van Hella Haasse een einde kunnen maken, evenals aan het gedrag van schrijversweduwen m/v die het levensverhaal van hun geliefden uit eigenbelang willen ‘beschermen’. Hoe meer verbanden het publiek zélf kan leggen tussen leven en werk van een auteur, hoe groter dus de controle op de biograaf, des te minder kan het vinden van ‘de kern’ in de weg staan.

Voor het Haassemuseum: www.hellahaassemuseum.nl