Het platteland versus de stad

De presidentsverkiezingen in Servië hebben laten zien dat er eigenlijk twee Serviës zijn.

Het ene Servië woont in de ‘rijke’ stad en het andere leeft op het ‘arme’ platteland.

Het democratische, pro-Europese Servië woont vooral in de hoofdstad Belgrado en in de noordelijke regio Vojvodina: daar hebben de kiezers zondag in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen de doorslag gegeven. In Belgrado en in Vojvodina kreeg de pro-Europese Boris Tadic respectievelijk bijna 54 en ruim 55 procent van de stemmen. In Servië zonder Belgrado en Vojvodina won de ultranationalist Tomislav Nikolic met 51,1 procent en kreeg Tadic maar 47,2 procent. Van de Kosovo-Serviërs die gingen stemmen gaf nog geen 30 procent de voorkeur aan Tadic.

Westerse media hebben de afgelopen weken gezegd en geschreven dat de keus tussen Tadic en Nikolic er een was tussen de Europese Unie en Rusland; die analyse werd in hoge mate gevoed door de pro-Russische Nikolic, die nog op de dag van de verkiezingen zei dat Servië dichter bij Rusland staat dan bij de EU. Tadic’ campagneteam stelde Nikolic stelselmatig voor als een nationalistische en pro-Russische isolationist.

Toch leeft het thema Rusland niet in Servië: de gewone Serviër heeft geen boodschap aan Rusland. Als er zondag een keus was voor de Servische kiezer, dan ging het vooral om Europa. En die keus was veel moeilijker dan je zou verwachten, omdat voor veel Serviërs de Europese Unie op het punt staat Servië een stuk grondgebied – Kosovo – af te pakken.

Het maakt de zege van Tadic uitzonderlijk. Hij heeft maandenlang zonder veel succes een uitweg gezocht uit een giftig dilemma: enerzijds moest hij de Europese Unie hekelen wegens haar voornemen Kosovo onafhankelijk te maken, anderzijds moest hij zich sterk maken voor de Europese integratie. Dat hij won is daarom vooral een teken dat de Serviërs niet meer te vangen zijn met populistische leuzen.

De uitslag toont volgens het gezaghebbende Servische nieuwsbulletin VIP vooral aan dat er twee Serviës zijn. Het ene Servië wordt bewoond door mensen wier leven acht jaar na de val van Slobodan Miloševic langzaam maar zeker beter wordt. Dat zijn de Serviërs die naar het buitenland kijken, die naar het buitenland gaan, die naar de Europese Unie kijken, die weten waarom hun leven is verbeterd en die hopen dat een nog beter leven in het verschiet ligt.

Zij wonen (vooral) in Belgrado en de relatief welvarende Vojvodina, en zij hebben in meerderheid op de pro-Europese Tadic gestemd.

Het andere Servië wordt bewoond door mensen wier leven sinds de val van Miloševic niet of maar weinig is verbeterd. Zij kijken niet naar Europa (ook niet naar Rusland trouwens). Zij wonen vooral op het Servische platteland – en zij gaven in meerderheid de voorkeur aan de nationalistische hardliner Tomislav Nikolic.

Of de zege van Tadic veel verandering zal brengen in de koers van Servië is nog maar de vraag. In Servië heeft de president volgens de grondwet maar weinig concrete politieke macht: de dienst wordt uitgemaakt door de premier.

En die premier heet Vojislav Koštunica, een man die, geobsedeerd als hij is door Kosovo, de afgelopen maanden een beleid van gestaag toenemende confrontatie met de Europese Unie heeft gevoerd. In veel opzichten zijn zijn uitspraken over de EU nog radicaler dan die van Nikolic.

Koštunica weigerde zelfs voor de verkiezingsronde van zondag Tadic zijn steun te geven – ook al leidt Tadic de grootste partij in Koštunica’s eigen coalitieregering.

Voor Vojislav Koštunica is de uitslag van zondag een nederlaag. Het pro-Europese Servië heeft immers duidelijk gewonnen. Maar zolang zijn regering niet ten val wordt gebracht kan Koštunica gewoon zijn anti-Europese gang blijven gaan.

Geen wonder dat na de verkiezingsuitslag in Belgrado alom wordt gespeculeerd over vervroegde parlementsverkiezingen. Dat gebeurde binnen Tadic’ Democratische Partij én binnen G17 Plus, de andere coalitiepartner van Koštunica’s eigen Democratische Partij van Servië (DSS). Het gebeurde ook binnen de SRS, de Servische Radicale Partij van Tomislav Nikolic, die nu al de grootste partij van Servië is en na het verlies van Kosovo nog flink kan winnen. Als die vervroegde verkiezingen er vandaag zouden zijn, zou Koštunica’s DSS worden weggevaagd: ze zou volgens een recente peiling nog geen 10 procent van de stemmen krijgen.